’Die seks moet dan maar, misschien hoort het bij de meditatie’

Foto3
Rob Hogendoorn
Written by Rob Hogendoorn

6 minuten

De Thaise monnik Mettavihari had vlak na aankomst in Nederland al seksueel contact met Nederlandse leerlingen. Eind 1973 verhuisde hij van de Thaise ambassade naar de Buddharama tempel in Waalwijk. Daar misbruikte Mettavihari als boeddhistisch leraar in het voorjaar van 1974 een eerstejaars student: ’Dat ging zo een jaar of twee, drie door. Ik denk dat hij me bij elkaar tussen de 40 en 50 keer heeft misbruikt,’  aldus Patrick Franssen. In 1981 probeerde Franssen in te grijpen en zette hij de monnik uit het bestuur. Vergeefs: Mettavihari werd korte tijd teruggehaald en de zaak verdween in de doofpot. De monnik bleef daarna op andere plaatsen slachtoffers maken.

Toen hij Mettavihari (1944-2007) leerde kennen kwam Patrick Franssen (1955) net van het atheneum. Hij was 19 jaar (tot 1986 gold dat als minderjarig) en wist niet goed wat hij met het leven aan moest. Hij was opgegroeid in de omgeving van Maastricht en studeerde filosofie in Amsterdam. Omdat hij daar bijna nooit kwam had hij veel vrije tijd. Het ging niet goed met hem: ’Ik gebruikte meer drugs dan goed voor me was en ik was best labiel.’ Tijdens een meditatie-avond in Maastricht hoorde Franssen dat aan de Talmastraat in Waalwijk een boeddhistische tempel was geopend: de Buddharama tempel. Hij woonde een meditatieles van hoofdmonnik Mettavihari bij en besloot kort daarop een privé retraite in de tempel te houden.

’De eerste avond alleen werd ik meteen seksueel benaderd’, zegt Fransen. ’Mettavihari zei: ”Vanavond moet je komen voor uitleg.” Op zijn kamer werd hij handtastelijk. Ik was niets gewend. Ik vond het ook niet leuk: ik ben niet eens gay!’ Maar toch:

Die seks moet dan maar, dacht ik, want misschien hoort het wel bij de meditatie. Ik keek ook tegen hem op.

Het duurde meer dan twee jaar voordat Franssen de monnik wist duidelijk te maken dat de seks moest stoppen. Behalve Mettavihari woonden in de Buddharama tempel op dat moment nog twee monniken, een Nederlander en een Maleisiër. Verder woonde er nog een Thaise jongen. Franssen weet zeker dat Mettavihari in die tijd ook andere jonge mannen seksueel misbruikte: ’Maar we praatten er nooit over. Ik ken iemand die Mettavihari toen seks weigerde en ik heb zelf één persoon gewaarschuwd: blijf daar weg!’

Kort voor een uitzending van het NOS Achtuurjournaal over seksueel misbruik in het boeddhisme zochten twee groepen door Mettavihari benoemde boeddhistische leraren de publiciteit. Beide groepen geven toe dat de Thaise monnik zich schuldig maakte aan seksueel wangedrag. Ze konden het evenwel niet eens worden over het noemen van zijn naam. Eén groep schrijft: Wij schatten echter in dat het noemen van de naam van onze leraar niet zal leiden tot veel meer meldingen van mogelijke slachtoffers, en dat de aantasting van zijn naam tot veel leed zal leiden, vooral bij de Thaise gemeenschap in Nederland. De urgentie van het noemen van zijn naam ontgaat ons. Wij wijzen erop dat het gaat om gedrag uit de jaren ’80, de leraar al overleden is, hij geen weerwoord en ook geen erkenning kan geven als reactie op concrete gevallen.’

Als vrijwilliger werd Franssen meteen ingezet voor secretarieel werk. Hij was tevens contactpersoon van de Buddharama tempel met de buitenwereld. Franssen had daarvoor de tijd, maar volgens hem speelde ook een rol dat zijn vader lid was van de Eerste Kamer. De tempel kon zulke contacten goed gebruiken. Franssen: ’De Thaise ambassadeur kende Dries van Agt van een studiedag. Als minister van justitie regelde Van Agt dat de gemeente Waalwijk een woonhuis in de Molukse wijk aanwees waar een boeddhistische tempel gevestigd mocht worden. Veel Molukkers hadden namelijk een Thaise vrouw.’

In Waalwijk kwamen geregeld Thaise monniken op bezoek, sommigen vrij lang. ’Dat was in zekere zin mijn redding,’ zegt Franssen. ’Dankzij hun voorbeeld begreep ik dat zaken die Mettavihari heel gewoon vond er helemaal niet bij hoorden. Hij gaf bijvoorbeeld erg veel geld uit. Dan nam hij een taxi voor een stuk dat je best kunt lopen. Liepen we door een winkelstraat en zag hij een jas in de etalage dan wilde hij deze per se kopen, al had hij er misschien drie hangen.’ Hij maakte op hem een spilzieke indruk. Franssen vond dat vreemd voor een monnik, maar hij redeneerde het ook weg:

Als geld niet belangrijk is, is het uitgeven van geld misschien ook niet belangrijk.

Omdat hij contactpersoon van de tempel was kreeg Franssen eind 1980, begin 1981 als eerste de politie in Waalwijk aan de telefoon: ‘een moeder had gemeld dat Mettavihari haar minderjarige zoon seksueel had benaderd.’ Zover bekend kwam het nooit tot een aangifte. ’Maar voor mij was dit de druppel. Ik heb Mettavihari gezegd dat hij terug naar af moest, terug naar zijn klooster in Thailand.’

Franssen wilde de tempel uitbouwen en was druk bezig met de financiering van een groter pand aan de Loeffstraat in Waalwijk: ‘dat wilde ik niet uit mijn handen laten vallen.’ Een Thaise tempel met weinig geld kon in die tijd niet zomaar aan een hypotheek komen. De financiering van het huidige tempelgebouw kwam pas rond toen de gemeente Waalwijk zich garant stelde.

Volgens auteur Peter Jackson van Dear Uncle Go: Male Homosexuality in Thailand (1995) is de Thaise norm helder: ’Boeddhistische monniken, of bhikkhu’s, leggen bij hun wijding de gelofte van het celibaat af. Die gelofte houdt een algemeen verbod in van elke soort seksuele activiteit, homoseksualiteit wordt daarin niet specifiek verboden. In de patimokkha (de monastieke gedragsregels) worden gradaties in ethisch wangedrag onderscheiden. De zwaarste sancties met de naam parajika of ’regels over de spirituele nederlaag’ worden verbonden aan overtredingen die verbanning uit de kloosterorde meebrengen.’ Jackson licht toe dat de term ’spirituele nederlaag’ in ieder geval betrekking heeft op elke bewuste seksuele activiteit met enig levend wezen, ‘tot welke soort ook behorend’, die tot een orgasme leidt.

Kort voor zijn contact met de politie was Franssen zelf bestuurslid van de tempel geworden. Hij vloog in het voorjaar 1981 naar Chicago om met een hoge geestelijke van de Thaise Sangha over Mettavihari’s gedrag te praten.

’Deze man vertegenwoordigde toen, zeg maar, het Thaise ”ministerie van religieuze zaken”, aldus Franssen. ‘Ik wilde een nieuwe monnik naar Nederland laten sturen, en dat heeft hij ook toegezegd. Toen ik terug kwam heb ik samen met een andere bestuurder Mettavihari als voorzitter uit het bestuur van de stichting The Buddharama Temple gezet.’

Franssen is stellig: ’Mijn punt was dat in de vinaya de bewijsvoering bij seksueel misbruik niet geregeld is omdat je monnik-af bent zodra je seks hebt. Die regel is er niet voor niets.’ Dit gaf voor hem de doorslag: ’Ik wilde voorkomen dat iemand over onze tempel zou zeggen: ”Wat is dat voor zootje?!” Ik zag het ook als het belazeren van de Thaise gemeenschap die aan de vinaya veel waarde hecht. Het was immers een Thaise tempel.

Andere Nederlanders in het bestuur redeneerden: als mijnheer pastoor een relatie met zijn huishouder heeft, dan mogen we dat hem toch niet kwalijk nemen? Dat ligt aan de achterhaalde regels van de kerk! Wij in het Westen maken ons eigen boeddhisme!

Ik heb daar destijds niet tegen in gebracht dat ik en anderen tegen onze zin seks met Mettavihari moesten hebben. Zo keek ik er toen niet naar. Ik zag het meer als a fact of life dan dat ik persoonlijk getraumatiseerd ben.’

Patrick Franssen delft eind 1981 het onderspit. De nieuwe voorzitter, Henk Barendregt, gesteund door penningmeester Aad Verboom van de Stichting Jonge Boeddhisten Nederland, haalt Mettavihari enkele maanden later terug in het bestuur. De Thaise monnik neemt dan letterlijk Franssens plaats in het bestuur in. ’Dat had waarschijnlijk ook te maken met het feit dat de nieuwe monnik minder goed was in fondsenwerven,’ aldus Franssen.

Mettavihari’s Nederlandse entourage hield de zaak vanaf dat moment geheim. De monnik zelf verblijft de jaren daarop langdurig in het buitenland. Hij vertrekt in 1983 voorgoed uit Waalwijk—met stille trom. Verboom schrijft hierover in Boeddhisme in het kort (1983):

Het idee om het werkelijke boeddhisme onder zowel westerlingen als oosterlingen te verbreiden, leidde tot de vestiging van de Boeddharama Tempel in de Loeffstraat. Er bleken echter aanzienlijke verschillen te bestaan in de visie op het boeddhisme en de beoefening daarvan; mettertijd namen deze verschillen zulke vormen aan dat een scheiding in een ”oosters” en ”westers” boeddhisties centrum voor beide betrokken partijen verkieslijk werd.

Onlangs maakten twee groepen door hem aangewezen boeddhistische leraren bekend dat Mettavihari tot zeker midden jaren ’90 seksuele contacten met mannelijke leerlingen had. Niet duidelijk is of zich daarna nog nieuwe gevallen hebben voorgedaan.

Franssen emigreerde in 1985 naar Thailand. Hij vertelt zijn verhaal nu vooral om duidelijk te maken dat ‘boeddhisten meteen moeten optreden als iets niet deugt.’ Dat kan niet vroeg genoeg gebeuren zegt hij, ‘anders gebeuren steeds gekkere dingen.’ Om hun imago hoeven zij zich volgens Franssen geen zorgen te maken: ‘Het boeddhisme kan volgens hem wel een stootje hebben, dat is veel groter dan dit soort kwesties. Ook in Thailand zijn er schandalen met misbruik van geld en van macht. Dat haalt ook de krant en zelfs de internationale pers.’

 

Klik op de onderstaande afbeelding voor een uitgebreide, interactieve tijdlijn over Mettavihari.

De tijdlijn wordt regelmatig bijgewerkt. Stuur correcties of aanvullingen naar: rob.hogendoorn@openboeddhisme.nl

Tijdlijn Mettavihari (1944-2015)

 

About the author

Rob Hogendoorn

Rob Hogendoorn

Rob Hogendoorn (1964) is onderzoeksjournalist en wetenschapper. Hij richt zich onder meer op de receptie van boeddhisme, boeddhisme en wetenschap, en onderzoek naar meditatie.