Emma van den Berg-Mulder: ‘Ambtelijke binding is een keuze’

ketenen
Rob Hogendoorn
Written by Rob Hogendoorn

3 minuten

De beroepsgroep van geestelijk verzorgers voert sinds jaar en dag een discussie over het al dan niet verlaten van de ambtelijke binding voor geestelijk verzorgers. Geestelijke verzorging zoals deze nu bestaat in zorginstellingen, bij Justitie en in de krijgsmacht, ontstond in de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw. Het beroep kwam voort uit het christelijke pastoraat. De zogenaamde ‘categoriale inslag’ van geestelijke verzorging is daaruit te verklaren. Die inslag houdt in dat de geestelijk verzorger vooral mensen van de ‘eigen’ denominatie verzorgt. Op dit categoriale aspect is het ambt van de geestelijk verzorger in Nederland gebaseerd.

Emma van den Berg-Mulder schreef in 2010 een masterscriptie voor de opleiding Geestelijke Verzorging aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zij onderzocht de boeddhistische geestelijke verzorging in Nederland en de rol van de ambtelijke binding daarin. Haar huidige bijdrage bevat fragmenten uit de scriptie. Van den Berg-Mulder is werkzaam als (ongebonden) geestelijk verzorger in een verpleeghuis. Zij schrijft op persoonlijke titel, haar opiniërende bijdrage staat los van de organisatie waarvoor zij werkt. Deze tekst van Emma van den Berg-Mulder verscheen voor het eerst op 4 juni 2012.

De ambtelijke binding van een geestelijk verzorger houdt in dat hij of zij namens een specifieke kerk of levensbeschouwelijke organisatie opereert. In de regel is dit de Protestantse Kerk in Nederland (PKN), de katholieke kerk of het Humanistisch Verbond.

Het is aan deze genootschappen de aanstelling van een geestelijk verzorger bij een (zorg)instelling goed te keuren.

‘Believing without belonging’

Het principe van de ambtelijke binding stamt uit de tijd van de verzuiling. Deze situatie is sterk onderhevig aan verandering.

Een groot deel van de Nederlandse bevolking zegt geen band meer te hebben met een kerk of ander levensbeschouwelijk genootschap. Nederlanders behoren steeds minder tot religieuze gemeenschappen.

Geloven is in die zin steeds meer believing without belonging geworden, in plaats van belonging without believing.

Vorm

Door de veranderende rol van de kerk verandert ook de rol van de geestelijk verzorger. De kerk en de ambtelijke binding van geestelijk verzorgers hebben voor de gemiddelde Nederlander niet veel betekenis meer.

Geestelijk verzorgers zijn zich hiervan terdege bewust. Er is binnen de beroepsgroep veel reflectie op de vraag hoe geestelijke verzorging precies moet worden aangeboden. Mét of zónder ambtelijke binding? Een ‘tussenoplossing’ wellicht?

De vorm die de geestelijke verzorging zou moeten hebben staat dus volop ter discussie.

Ongebonden verzorging

De initiatieven op het gebied van boeddhistische geestelijke verzorging zijn gericht op het in het leven roepen van een boeddhistisch ambt.

Dit vormt een discrepantie met de tendens binnen de geestelijke verzorging in Nederland.

Het ambt staat ter discussie, en er werken al heel veel geestelijk verzorgers zonder ambtelijke binding: de ongebonden geestelijk verzorgers. Veel gebonden geestelijk verzorgers werken niet meer op basis van het categoriale aspect.

Verzuiling

Het boeddhisme legt bij het vormgeven van boeddhistische geestelijke verzorging juist wél nadruk op de ambtelijke binding.

Boeddhisme werd in Nederland populair in de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw, vaak als reactie op de religies (protestantisme, katholicisme) van de verzuiling.

Het is frappant dat het boeddhisme in Nederland zich anno 2012 beroept op principes die zo duidelijk met de verzuiling verbonden zijn. Dit terwijl haar populariteit een reactie was op het vastomlijnde, verzuilde karakter van religieuze tradities.

Je zou kunnen zeggen dat het boeddhisme in Nederland bezig is de eigen zuil veilig te stellen.

Zingevingsbehoefte

Zelf denk ik dat boeddhistische verzorging veel kan betekenen voor het vervullen van zingevingsbehoeften in de Nederlandse samenleving.

Op het vlak van stervensbegeleiding en geestelijke gezondheidszorg zou geestelijke verzorging met een boeddhistische inslag nieuwe methoden kunnen aanreiken.

Daarbij denk ik bijvoorbeeld aan het inzetten van meditatie bij depressies, zoals binnen de GGZ nu al gebeurt met mindfulness.

Pragmatische overwegingen

Of je (boeddhistische) geestelijke verzorging via een systeem van ambtelijke binding moet regelen betwijfel ik sterk.

Vanuit pragmatische overwegingen doet men mee aan het systeem van ambtelijke binding. Dat is nu eenmaal de vorm waarin Justitie de geestelijke verzorging aanbiedt.

Justitie stelt eisen aan de achterban van het levensbeschouwelijk genootschap dat via de binding geestelijke verzorging wil aanbieden.

De omvang van die achterban moet met harde cijfers worden onderbouwd. Voor het boeddhisme in Nederland vallen moeilijk harde cijfers te geven.

Goede scholing

Geestelijke verzorgers die goed geschoold worden (en zónder ambtelijke binding opgeleid worden tot ongebonden geestelijk verzorger) kunnen Nederlanders met een band met, of belangstelling voor het boeddhisme naar mijn mening prima ‘geestelijk verzorgen’.

Er zijn, denk ik, ook heel weinig boeddhisten die per se een geestelijk verzorger met een boeddhistische ambtelijke binding willen spreken.

Vrijheid

Waar het om gaat is dat er goede opleidingen tot algemeen geestelijk verzorger bestaan.

Met zo’n opleiding komt de boeddhistische geestelijke verzorging echt wel tot haar recht, dankzij individuele, ongebonden geestelijk verzorgers die persoonlijk in het boeddhisme zijn geïnteresseerd en/of daarin zijn geworteld.

Pas dan, denk ik, durf je als boeddhist je eigen vrijheid onder ogen te zien.

‘[Anno 2012] is wie je bent je eigen keuze geworden. Die vrijheid boezemt velen angst in: door keuzestress en onzekerheid klampt men zich vast aan vertrouwde maatschappelijke structuren. Maar dat is niet nodig. Om waarlijk te zijn hoeven we slechts onze vrijheid onder ogen durven zien,’ aldus Rob Wijnberg en Stine Jensen.

Bronnen
• Becker, J. en Hart, J. de (2006). Godsdienstige veranderingen in Nederland. Verschuivingen in de binding met de kerken en de christelijke traditie (p. 33, 94, 96, 103, 104). Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
• Mackor, A.R. (2007). ‘Standaardisering en ambtelijke binding: Lopen idealen van geestelijk verzorgers gevaar?’ In: J. Kole en D. de Ruyter (red.), Werkzame idealen. Ethische reflecties op professionaliteit (p. 89). Assen: Van Gorcum.
• Smeets, W. (2007). ‘Zending of geen zending? De ambtelijke identiteit van geestelijk verzorgers.’ In: Tijdschrift Geestelijke Verzorging 42 (p. 37-42, aldaar p. 37).
• Wijnberg, R. en Jensen, S (2010). ‘Wij werken, voelen, kopen, en denken dus te weten wie wij zijn.’ In: NRC Handelsblad, 27 februari 2010 (p. 4).

About the author

Rob Hogendoorn

Rob Hogendoorn

Rob Hogendoorn (1964) is onderzoeksjournalist en wetenschapper. Hij richt zich onder meer op de receptie van boeddhisme, boeddhisme en wetenschap, en onderzoek naar meditatie.