‘Helder licht’

butterlamp
Rob Hogendoorn
Written by Rob Hogendoorn

6 minuten

Is het u ook al eens opgevallen dat wij gewend zijn onszelf en andere personen als ‘geest’ aan te duiden? Het Latijnse woord ‘mens’ betekent namelijk ‘geest’—net als het woord ‘spiritus’. Het Nederlandse woord ‘mens’ stamt helemaal niet uit het Latijn, maar ik vind het een opwekkende gedachte: we noemen elkaar geen lichaam, maar geest. En Tibetaans boeddhisten noemen diezelfde geest ‘helder licht’. Is dat niet toepasselijk, tijdens het ‘Feest van het licht’? 

Laat me eerst proberen uit te leggen waarom Tibetanen dat doen. Daarna vertel ik wat mij dit zegt.

Een geest die weet

De Windwijzer is het diaconaal-missionair centrum van de protestantse gemeente te Vlaardingen, en is een centrum voor ontmoeting, bezinning en dienstverlening.  De Windwijzer organiseerde in de serie ‘Zin op Zondag’ op zondag 18 december 2016 een interreligieuze bijeenkomst over ‘Het Licht’. Tijdens deze bijeenkomst waren alle wereldreligies vertegenwoordigd: hindoeïsme, boeddhisme, jodendom, islam en christendom. Rob Hogendoorn sprak er de tekst uit die hier integraal wordt weergegeven.

De historische Boeddha, de persoon naar wie het boeddhisme genoemd is, leefde zo’n 2.500 jaar geleden in India. Hij wordt wel omschreven als degene die ‘ontwaakte’ uit de slaap van onwetendheid. En, zoals u misschien wel weet, men noemt hem ook wel ‘verlicht’.

De naam ‘Boeddha’ gaat terug op het woord bodhi uit de canonieke talen Pali en Sanskriet. Dat woord is weer verwant aan het werkwoord voor ‘bewust worden’, ‘opmerken’, ‘weten’ of ‘begrijpen’. Een ontwaakte of verlichte geest is dus een geest die weet.

‘Helder licht’

En het Tibetaans boeddhisme—dit is het boeddhisme dat u van de veertiende dalai lama kent—verwijst weer naar de menselijke geest, ook die van u en mij, met het woord ösel—ofwel ‘helder licht’ (Tib.: ’od gsal).

Hiermee doelen Tibetanen op de meest subtiele vorm van bewustzijn die wij bezitten.

Dit bewustzijn stelt onze geest in staat de hele werkelijkheid te doorgronden en zo zelf in een Boeddha—een ontwaakte of verlichte persoon—te veranderen. 

Dit subtiele bewustzijn is aanwezig in elk moment dat wij gewaar zijn, maar is zelf heel moeilijk op te merken of te ervaren.

Alomvattend

Het woordje ösel wordt in westerse talen over het algemeen vertaald met woorden als ‘helderheid’ of, ingewikkelder, ‘luminositeit’. Hiermee wordt niet het zichtbare licht bedoeld, maar de stralende kwaliteit of toestand van de geest zelf.

Tibetanen hechten veel belang aan de helderheid en levendigheid van alle verschijnselen die wij kunnen waarnemen, maar iets anders is nog belangrijker. Het woordje ösel wijst met name op een weten dat alles omvat—en dus niets uitsluit.

Het is een weten dat is ontdaan van de duisternis van niet-weten, en dat de hele werkelijkheid daarom ziet zoals ze is.

Deze aard van onze geest wordt dan ook wel met de hemel vergeleken, die het weer van alledag mogelijk maakt. Niet alleen het mooie weer, trouwens, ook het slechte.

 Zelfs de geest die kwaad doet, duidt men aan met ‘helder licht’.

Boeddhanatuur

Tibetaans boeddhisten proberen, onder meer door middel van meditatie, dit subtiele bewustzijn manifest te maken, zodat ze het kunnen gebruiken om de ware aard van de werkelijkheid te doorgronden.

Precies daarom wordt dat ‘helder licht’—ösel dus, dat aller subtielste bewustzijn waartoe wij in staat zijn—ook wel boeddhanatuur genoemd. En omdat wij allemaal deze boeddhanatuur bezitten, is het voor iedereen mogelijk op eigen kracht verlichting te bereiken.

Maar, waarom voelen niet-Tibetanen zoals ik zich nu eigenlijk tot dit soort zienswijzen aangetrokken?

Net zo verlicht

Traditioneel is een boeddhist degene die, al dan niet op rituele wijze, toevlucht neemt tot de Boeddha, de dharma—de leer die Boeddha onderwees—en de sangha—de gemeenschap die om de Boeddha heen is ontstaan.

Wie op die manier in de voetsporen van de Boeddha treedt, wil zelf net zo verlicht raken als hij. Niet voor niets luidden de laatste woorden van de Boeddha voor zijn overlijden, vrij vertaald: ‘Alles dat ontstaat, vergaat. Bewerkstelligt dus naarstig uw bevrijding.’

Misschien kan ik dit verder verduidelijken aan de hand van mijn eigen ervaring.

Boeddhist Zonder Naam

Ik nam zo’n vijfentwintig jaar geleden toevlucht tot het boeddhisme. 

Ten overstaan van een traditionele Tibetaanse geestelijke die net in Nederland was aangekomen, nam ik in een boeddhistisch centrum in Emst, middenin de bible belt op de Veluwe, deel aan het toepasselijke ritueel.

Hoewel de traditie wil dat je bij zo’n gelegenheid een boeddhistische naam krijgt, is dat met mij niet gebeurd: noemt u mij daarom gerust de Boeddhist Zonder Naam!

Destijds deed ik als jurist binnen de Tibetaanse vluchtelingengemeenschap in India een jaar lang onderzoek naar de filosofie van het recht vanuit boeddhistisch perspectief. Ik werkte op verschillende plaatsen in India met hoge Tibetaanse geestelijken samen, en ik besprak mijn bevindingen met de dalai lama.

Boeddhisme en wetenschap

De jaren nadat ik uit India was teruggekomen, kregen mijn vrouw en ik drie kinderen. Mijn vrouw werd voltijds huisarts in Schiedam, terwijl ik voor de kinderen zorgde. In mijn schaarse vrije tijd verdiepte ik me jarenlang in de gesprekken van de dalai lama met (meest) westerse wetenschappers.

Ik maakte gebruik van een groot, bestaand video-archief met integrale, ruwe opnamen van zulke gesprekken die in de residentie van de dalai lama in India werden gehouden. 

Ook legde ik een uitgebreide collectie historische opnamen en verslagen van soortgelijke ontmoetingen elders aan.

Ik ben dan wel boeddhist, maar ik behoor tot het sceptische soort.

De Achelse Kluis

Dankzij de hulp van mijn moeder kon ik het drukke gezinsleven af en toe achter me laten. Ik verbleef dan het liefst in de St.-Benedictusabdij—beter bekend als ‘De Achelse Kluis’—midden in de verlatenheid van het grensgebied tussen Noord-Brabant en België.

Het was toen nog mogelijk een week lang in het gastenhuis te logeren, en zo letterlijk mee te leven met de Orde van de Cisterciënzers van de Strikte Observantie, in de volksmond ‘trappisten’.

Wie in het gastenhuis verbleef, accepteerde daarmee de volgende opdracht: ‘Wie hier komt, maakt duidelijk de keuze te willen vertoeven in stilte, zich aan te sluiten bij het koorgebed en zich toe te leggen op geestelijke verdieping, met respect voor de christelijke traditie.’

‘Biddend leven’

Het leven in abdij wordt beheerst door de Regel van Benedictus, die op drie pijlers rust: ‘biddend leven, leven in gemeenschap, leven van arbeid.’ En zo werd het ritme van mijn dagen en nachten in de kluis bepaald door de koorgebeden van de monniken: metten, lauden, hoogmis, middaggebed, vespers en de dagsluiting.

Trappisten zingen hun misgezangen in het gregoriaans en Nederlands. Hun aantal in de kluis was toen al sterk afgenomen, maar dit maakte de stemmige samenzang van monniken in de zogeheten ‘winterkapel’ niet minder authentiek—eerder meer.

De dagsluitingen maakten op mij steeds weer de meeste indruk: in het donker wendden de monniken zich tot een klein raam met een afbeelding van Maria van glas in lood. Dat raam, hoog in de kapel, werd als enige van achteren verlicht, en zo zongen de monniken Maria in het volkomen duister toe.

De monniken richtten zich letterlijk naar het licht, en nooit heeft de religieuze stem in mijn oren oprechter weerklonken.

Afstand

Tegelijk, echter, voelde ik een zekere afstand. 

Tijdens diezelfde koorgebeden in diezelfde kapel hervond ik ook telkens weer de boeddhist in mij.

Contemplerend op de geboorte, kruisdood en opstanding van Jezus, bijvoorbeeld, besefte ik waarom de gebruikelijke uitleg ervan—die ik als kind altijd op christelijke scholen heb meegekregen—voor mij aan betekenis verloren heeft.

Zoals boeddhisten zeggen: voor de verlichting van de Boeddha koopt niemand iets. Volgens hen zitten we allemaal in hetzelfde schuitje: we zullen zelf, bij leven, in onze eigen geest onze eigen verlichting moeten bewerkstelligen.

Ik vroeg me in die kapel steevast niet af wat er voor nodig is om in Jezus te geloven, maar wat er voor nodig is om zelf Jezus te zijn.

Met andere woorden: ik zie geen kans als gelovige dichterbij de naamgever van het christendom te komen, maar wel als zijn gelijke.

Om de enormiteit hiervan nog eens te onderstrepen: stelt u zichzelf voor dat u als gelovige uit een theïstische religie—jodendom, christendom, islam—niet ernaar zou streven om in God te geloven, maar om in God te veranderen—zelf God naast God te worden.

Precies datgene wat mij als boeddhist dichter bij Jezus of God brengt, verwijdert mij van degenen die in hen geloven.

Gelukkig zijn dit soort overpeinzingen in ons dagelijks leven bijna altijd overbodig: een goed hart is immers—zeker voor de mensen om ons heen—veel meer waard dan leerstellige zekerheid.

Een goed hart

Het goede hart (1997) is de titel van een van de bekendste boeken van de dalai lama. Hij levert daarin commentaar op passages uit het Nieuwe Testament, en gaat hierover in gesprek met de benedictijner monnik Pater Laurence Freeman.

De dalai lama waarschuwt dat we niet alles moeten terugbrengen tot ‘een aantal termen die we allemaal gemeenschappelijk hebben, zodat er uiteindelijk niets overblijft waaruit de verschillen tussen onze specifieke tradities blijken.’

En hij vervolgt: ‘Als je je op een spiritueel pad begeeft, is het belangrijk een beoefening aan te gaan die optimaal past bij jouw geestelijke ontwikkeling, jouw geaardheid en spirituele voorkeuren. Het is essentieel dat iedere die vorm van spirituele beoefening en geloof zoekt die het beste aansluit op zijn of haar specifieke behoeften. Zo kun je de innerlijke transformatie teweegbrengen, de innerlijke rust waardoor je spiritueel volwassen wordt en iemand met een warm hart, een goed, volledig en vriendelijk mens.’

Een goed hart en een geestelijk pad dat u past, dat is precies wat ik u allen toewens.

Ieder van ons beschikt over het vermogen het eigen bestaan en dat van anderen te verlichten. Niet alleen in de zin van lichter maken, minder zwaar. Maar ook in de betekenis van verhelderen: door ons menselijk bestaan—goed en kwaad—te zien voor wat het is.

Mag uw eigen geloof of levensovertuiging daarbij een licht zijn waarnaar u zich kunt richten!

About the author

Rob Hogendoorn

Rob Hogendoorn

Rob Hogendoorn (1964) is onderzoeksjournalist en wetenschapper. Hij richt zich onder meer op de receptie van boeddhisme, boeddhisme en wetenschap, en onderzoek naar meditatie.