Mettavihari en zijn volgelingen

Wasu Watcharadachaphong / Shutterstock.com
Rob Hogendoorn
Written by Rob Hogendoorn

9 minuten

Dit voorjaar beschuldigde een grote groep door hem opgeleide vipassana-leraren na meer dan 35 jaar zwijgen de Thaise geestelijke Mettavihari van ’grensoverschrijdend seksueel gedrag’. Hoewel zes leraren schreven dat zij daarmee een ’bekentenis’ aflegden, was deze niet volledig. Net als zeven andere leraren moesten ze hun aanvankelijke lezing van de gebeurtenissen meer dan eens herzien. De gedoseerde, selectieve manier waarop deze 13 leraren het nieuws over hun leraar naar buiten brengen, bemoeilijkt een kritische discussie over de rol die hun persoonlijke begrip—of wanbegrip—van boeddhisme in Mettavihari’s decennialang volgehouden seksueel wangedrag speelde. Doordat de leraren hun eigen leraarschap buiten discussie stellen, blijft ook de vraag in hoeverre Mettavihari’s volgelingen en hún leerlingen zichzelf naar zijn evenbeeld vormen, met name op ethisch vlak, nog onbeantwoord.  

Voortouw

De leeftijden van zijn slachtoffers lopen uiteen, maar de seksuele voorkeur van de Thaise geestelijke Mettavihari (1944-2007) ging vooral uit naar jongvolwassen mannen. Hij misbruikte volgelingen overal: in zijn eigen tempel, in boeddhistische centra die zijn volgelingen stichtten en in voor de duur van een retraite gehuurde accomodaties. Mettavihari’s modus operandi veranderde af en toe. Soms bevredigde hij een volgeling, dan weer moest de volgeling hem bevredigen. Vaak suggereerde Mettavihari dat de seksuele handelingen een ’meditatieve’ functie hadden. Maar minstens één slachtoffer, een 12-jarige buurjongen, werd door Mettavihari met een traktatie de tempel ingelokt en misbruikt. De Thaise vipassana-leraar nam ook grote risico’s: had het eerste misbruik in 1974 nog plaats in zijn kamer in de tempel in Waalwijk, zo’n tien jaar later misbruikte Mettavihari een Groningse student tijdens een groepsgewijze, met gesloten ogen uitgevoerde ’ligmeditatie’.

Op 6 mei 2015 nam een groep van zes vipassana-leraren rond Frits Koster en Johan Tinge het voortouw en bracht Mettavihari’s naam openlijk in verband met seksueel misbruik. Ze gebruikten daarvoor het Boeddhistisch Dagblad. De redactie toetste hun beweringen niet, maar nam de—amper onderbouwde—’bekentenis’ van deze eerste groep woordelijk over.

Een tweede groep leraren rond Henk Barendregt en Aad Verboom volgde drie dagen later: deze zeven leraren noemden het bericht in het Boeddhistisch Dagblad op 9 mei ’onzorgvuldig’. Ook veroordeelden ze het gebruik van Mettavihari’s naam. Volgens hen leidde een conflict over het laatste ’in april’ dit jaar tot een scheuring binnen de lerarengroep die in 2006 door Mettavihari werd benoemd.

Achtuurjournaal

De 13 leraren meldden nergens dat onderzoeksredacteur Bas de Vries (NOS Net) al op 8 april 2015 telefonisch contact met een van hen opnam: Henk van Voorst. Het onderwerp: een reportage van het NOS Achtuurjournaal over beschuldigingen van seksueel misbruik. De Vries en de NOS werken in dat dossier sinds februari 2015 samen met onderzoeksjournalist Rob Hogendoorn.

Van Voorst verwees De Vries door naar woordvoerder Aad Verboom. Vanaf 29 april 2015 hadden zij contact over Mettavihari, maar Verboom bracht daarbij geen scheuring in de lerarengroep ter sprake. Wanneer deze scheuring ontstond en wat precies de aanleiding voor de ’bekentenis’ op 6 mei was, is dan ook onduidelijk.

Van Voorst wist al in het voorjaar van 2014 dat Hogendoorn onderzoek instelde naar beschuldigingen van seksueel misbruik door Mettavihari. Hans Gijsen, voorzitter van de nauw met Mettavihari en de lerarengroep verbonden Stichting Inzichts Meditatie, was daarvan al in juni 2013 op de hoogte. En minstens twee leraren wisten dus ruim voor de ’bekentenis’ dat de NOS een Journaal-uitzending voorbereidde.

De 13 leraren hebben nooit uitgelegd waarom zij na tientallen jaren zwijgen eind 2014 besloten alsnog onderzoek naar seksueel grensoverschrijdend gedrag van hun leraar in te stellen. In gesprek met Bettine Vriesekoop voor het radioprogramma OBA Live (23 juni 2015) volstond Frits Koster er mee op te merken dat het na de dood van Mettavihari in 2007 ‘een heel proces is geweest om dat op de agenda te zetten.’

Lezing herzien

Sinds die eerste verklaringen noopten nieuwe, vanaf 24 mei 2015 door de NOS en • open boeddhisme • gepubliceerde feiten de twee lerarengroepen al enkele malen hun lezing van de gebeurtenissen te herzien.

Anders dan de twee lerarengroepen aanvankelijk beweerden, begon het seksueel misbruik door Mettavihari al in 1974—in de Buddharama tempel in Waalwijk, vrijwel meteen na aankomst in Nederland. Mogelijk vertoonde hij dit gedrag daarvoor ook al: in Thailand of tijdens buitenlandse reizen vanaf 1971.

Ook werd Mettavihari al in 1981  met zijn ’grensoverschrijdend seksueel gedrag’ geconfronteerd—en dus niet pas midden jaren 90, zoals de twee lerarengroepen aanvankelijk stelden.

Die confrontatie kan de latere lerarengroep niet op het eigen conto schrijven: slachtoffer en bestuurslid Patrick Franssen dwong Mettavihari in 1981 in de Buddharama tempel in Waalwijk met hulp van een hoge Thaise geestelijke af te treden.

Franssen moest vervolgens meemaken dat Henk Barendregt die interventie met steun van Aad Verboom terugdraaide en Mettavihari in ere herstelde. Onlangs boden die twee leraren daarvoor na bijna 35 jaar alsnog excuses aan.

Nieuw bestaan

Verder werd duidelijk hoe enkele Nederlandse volgelingen uit de latere lerarengroep Mettavihari begin jaren 80 opvingen. Nadat hun leraar in 1983 alsnog uit de Buddharama tempel moest  vertrekken hielpen zij hem—en daarmee zichzelf—een nieuw bestaan als vipassana-leraar op te bouwen.

Ze redden Mettavihari toen uit een hachelijke situatie: in feite beschermden zijn volgelingen hem tegen de Thaise Sangha, die hem ieder moment zijn pij kon afnemen.

Dat Mettavihari in Nederland vanaf 1974 het celibaat schond en zichzelf tot zijn dood in 2007, in strijd met de vinaya, ’monnik’ bleef noemen vonden zij niet bezwaarlijk.

Taboes

Door mee werken aan de suggestie dat Mettavihari nog steeds monnik was, schonden zijn volgelingen verschillende taboes. De huidige hoofdmonnik van de Buddharama tempel in Waalwijk, Phra Thep Buddhimonkun, rekent hen dat zwaar aan: ’Vinaya is vinaya. Een monnik die de vinaya niet volgt is geen monnik.’

Hij benadrukt dat de kloosterregels over slecht gedrag—en zeker die over seksualiteit—altijd moeten worden gehandhaafd. Verder meent hij dat de latere leraren naar de politie hadden moeten stappen: om het seksueel misbruik te melden of aangifte te doen.

Behalve de seksuele mores schonden Mettavihari en zijn volgelingen nog een andere taboe. Net als het aanbieden van voedsel aan de sangha is het aanbieden van geld of goederen in de ogen van Thai een religieuze handeling: door de gift te accepteren stellen monniken leken in staat verdienste te verzamelen.

Maar dat laatste geldt niet voor pseudo-monniken.

Groot aandeel

Uit de gebeurtenissen na Mettavihari’s vertrek uit Waalwijk valt op te maken hoe groot het aandeel van de huidige twee lerarengroepen in het vestigen en verbreiden van zijn reputatie als vipassana-leraar was.

Niet alleen bezorgden zijn volgelingen Mettavihari overal in Nederland lokale bekendheid als rondreizend vipassana-leraar, ook boden ze hem letterlijk een nieuw thuis—’bed, bad en brood.’

Samen stichtten en bestuurden ze de organisaties die Mettavihari vanaf de jaren 80 een alternatief voor het leven—én het levensonderhoud—in een traditionele Thaise Wat bezorgden: Jonge Boeddhisten Nederland, Dhammavihari, Wat Buddhavihara, Vipassana-Meditatie Groningen en Sangha-Metta, bijvoorbeeld.

Net als Mettavihari combineren zijn volgelingen de rol van seculier bestuurder en vipassana-leraar. In steeds wisselende constellaties, waarin ook enkele partners van Mettavihari’s belangrijkste volgelingen figureren, vervullen ze samen een lange reeks bestuursfuncties in de organisaties die Mettavihari na 1983 als geestelijk leider kozen.

Als groep houden ze zo alles in eigen hand, zonder bestuurlijk tegenwicht. In zijn eigen stichting Buddhavihara ging Mettavihari ging nog een stap verder: hij liet zich tot voorzitter voor het leven benoemen.

Opvallende overeenkomst

Eén overeenkomst in de opeenvolgende verklaringen van de huidige twee lerarengroepen is opvallend: de 13 leraren benoemen de oorzaak van het probleem—decennialang volgehouden en verzwegen seksueel misbruik—steevast in woorden die hun a-kritische, afhankelijke houding tegenover Mettavihari onderstrepen, maar niet verklaren.

In feite beschrijven ze hetzelfde probleem in steeds andere bewoordingen, zonder daadwerkelijk de oorzaak ervan te onderzoeken.

Zo schrijven zij Mettavihari charisma en paranormale of telepathische gaven toe, zonder op hun kennelijke vatbaarheid voor dit soort ‘waarnemingen’—al dan niet vermeend, uitgelokt, geprojecteerd—te reflecteren.

Hierdoor blijft onduidelijk wat die volgzame, lijdzame houding zegt over hun begrip van het leerling- of leraarschap en over de dhamma die zij zelf onderwijzen.

Ethisch onvermogen

Een ander voorbeeld: in het interview voor OBA Live noemde Frits Koster weliswaar de ’structuur’ die zijn leraar afschermde voor kritiek, maar het eigenlijke probleem, het subjectieve, ethisch onvermogen van Mettavihari’s volgelingen zelf, bleef onbesproken.

Zo liet Koster—al dan niet bewust—een heikel vraagstuk buiten beschouwing: hoeveel lijken de door Mettavihari opgeleide leraren eigenlijk op hun leraar?

In welke zin is zijn leraarschap maatgevend voor het hunne? Met welke misvattingen of blinde vlekken zadelde Mettavihari hen op?

Mettavihari staat erom bekend dat hij van de traditionele boeddhistische ‘drievuldigheid’ uitsluitend samadhi onderwees. Sila en panna zouden daaruit spontaan voortkomen.

De vraag is: wijdden ook de door hem benoemde leraren zich decennialang exclusief aan het cultiveren van samadhi, ten koste van sila en panna? Wat zijn daarvan in hun geval de gevolgen? Wat zegt dat over hun leraarschap?

Aan welke startkwalificatie moesten zij eigenlijk voldoen om in 2006 van Mettavihari ‘transmissie’ te ontvangen? Concentratie? Ethiek? Wijsheid? Of loyaliteit? Was Mettavihari werkelijk in staat zulke eigenschappen in anderen te ontwaren?

Sociale dynamiek

Een enkele toespeling op de heersende zwijgcultuur daargelaten laten de 13 leraren ook de sociale dynamiek die hun groep beheerst helemaal buiten beschouwing.

Feit is dat zij zich in 2006 samen tot leraar lieten benoemen door een ’monnik’ die stelselmatig de vinaya overtrad. Samen gaven zij Mettavihari tientallen jaren de ruimte het oordeel van de Thaise Sangha over het belang van het celibaat te ontwijken.

Feit is ook dat zij samen, tot zijn dood in 2007, een geheim bewaarden dat Mettavihari in staat stelde zijn volgelingen ongehinderd seksueel te misbruiken. Na zijn dood hadden zij samen meer dan acht jaar nodig om dit geheim, al dan niet vrijwillig, wereldkundig te maken.

Feit is verder dat van een diepgaande bezinning op de boeddhistische moraal die Mettavihari’s volgelingen—en hún volgelingen—jarenlang hebben geïnternaliseerd, en op de valkuilen die daardoor zijn ontstaan, tot op heden geen sprake is.

Verkrijgen deze leraren en hun leerlingen daarin geen inzicht, dan is het instellen van ethische protocollen en commissies, vertrouwenspersonen en dergelijke, een loos ritueel.

Zijn hun leerlingen tegenover de 13 leraren even loyaal als de laatsten tot voor kort tegenover Mettavihari waren, dan zijn zulke middelen mogelijk erger dan de kwaal—omdat ze schijnveiligheid creëren.

Belangen

Doordat ze hun eigen psychische, emotionele en religieuze afhankelijkheid niet problematiseren, blijft verder onduidelijk welk belang Mettavihari’s volgelingen bij zo’n relatie met hun leraar hadden. En hebben: zij ontlenen hun bezigheden en reputatie als vipassana-leraar immers nu nog aan de ’transmissie’ die zij in 2006 van Mettavihari ontvingen.

Het belang dat Mettavihari bij die afhankelijkheid had is evident. Nederlandse volgelingen stelden hem in staat als ’monnik’ in zijn levensonderhoud te voorzien, zónder zich aan het in de vinaya voorgeschreven celibaat te houden.

Met name Frits Koster, die als noviet en monnik Phra Jhananando tussen 1982 en 1990 tot hetzelfde klooster behoorde als Mettavihari, en in Wat Mahathat les kreeg van Mettavihari’s leraar, kan niet zijn ontgaan welke consequenties de Thaise Sangha aan het schenden van het celibaat verbindt.

‘Street cred’

Wat Mahathat, Bangkok

Wat Mahathat, Bangkok

Koster levert een goed voorbeeld van de verstrengeling van belangen die een tijdlijn van de gebeurtenissen zichtbaar maakt: Mettavihari bezorgde Koster, die zelf in 1982 in Waalwijk door hem werd misbruikt, de entree—Thaise street cred—voor een langdurig verblijf in Azië.

Zo kon Mettavihari’s leraar tevens Kosters leraar worden. En zo kon Mettavihari’s klooster Wat Mahathat tevens Kosters klooster worden.

Omgekeerd bezorgde Koster zijn leraar Mettavihari een entree als vipassana-leraar—Nederlandse street cred—door zich als Phra Jhananando vanaf 1988 in te zetten voor het uitbouwen van Vipassana-Meditatie Groningen.

Mettavihari, op zijn beurt weer, stelde Koster in staat na een langdurig verblijf in het buitenland, zonder opleiding of arbeidsverleden, als monnik, noviet en leek deels met vipassana in zijn levensonderhoud te voorzien.

Samen bezorgden zij elkaar aanzien, bijvoorbeeld door het Groningse centrum te laten inwijden door de Thaise geestelijke Somdej Phra Buddhajarn, abt van Wat Mahathat in Bangkok—boeddhistische street cred.

Op eenzelfde manier onderhield Mettavihari ook met andere volgelingen symbiotische relaties waarin geestelijke en wereldlijke belangen door elkaar liepen en om voorrang streden.

Door zichzelf nadrukkelijk met hun leraar te vereenzelvigen, met name na zijn dood, zetten de net daarvoor door hem benoemde leraren niet alleen Mettavihari op een voetstuk, maar ook zichzelf.

Niet voor niets duidde de lerarengroep zich de afgelopen jaren aan als de ‘Mettavihari Heritage Sangha’, toen zij nog meenden daarbij belang te hebben.

Ironie

Opvallend is dat Ank Schravendeel en Frits Koster, twee van de zes leraren die waarde hechtten aan het noemen van Mettavihari’s naam als pleger van seksueel misbruik, diezelfde naam na hun bekendmaking in het Boeddhistisch Dagblad van de website van Vipassana-Meditatie Groningen lieten verwijderen.

Vergelijking van de huidige site met gearchiveerde versie, toont aan dat bij Vipassana-Meditatie Groningen elke herinnering aan Mettavihari onlangs is uitgewist. Daarin schuilt een zekere ironie: na zijn gedwongen vertrek uit Waalwijk bood zijn Groningse groep volgelingen Mettavihari een eerste uitwijkplaats.

Dit voorbeeld laat zien dat hoe verstrengeld de wereldlijke belangen—aanzien, status, geld, macht—van Mettavihari en zijn volgelingen ook waren, deze heel snel kunnen worden ontward, mits zij dat werkelijk willen.

Het zal Mettavihari’s volgelingen, en met name de 13 door hem persoonlijk opgeleide leraren, echter veel meer moeite kosten zich van de problematische kanten van Mettavihari’s geestelijke nalatenschap te ontdoen: dat is alleen mogelijk door nauwkeurig onder de loep te nemen hoe zijn leraarschap precies het hunne bepaalt—toen, nu en in de toekomst.

 

Klik op de onderstaande afbeelding voor een uitgebreide, interactieve tijdlijn over Mettavihari.

De tijdlijn wordt regelmatig bijgewerkt. Stuur correcties of aanvullingen naar: rob.hogendoorn@openboeddhisme.nl

 

Tijdlijn Mettavihari (1944-2015)

About the author

Rob Hogendoorn

Rob Hogendoorn

Rob Hogendoorn (1964) is onderzoeksjournalist en wetenschapper. Hij richt zich onder meer op de receptie van boeddhisme, boeddhisme en wetenschap, en onderzoek naar meditatie.