Theo Dik (* 1953 † 2016)

kiezels
Rob Hogendoorn
Written by Rob Hogendoorn

4 minuten

Theo Dik en ik ontmoetten elkaar in 2011. Een studente journalistiek uit Maasland, waar ik woon, bracht ons bij elkaar. Ze wilde mijn idee voor een nieuw, specifiek op boeddhisme gericht journalistiek platform graag door haar Fontys-docent Theo laten beoordelen. Hij was meteen verkocht. Theo was helemaal geen boeddhist—’warme stenen in je nek is niets voor mij’, zei hij altijd—maar de gedachte aan old school, on line verslaggeving over een nieuwe religieuze gemeenschap deed zijn journalistieke hart sneller slaan.

Klassieke drijfveren

De Leidse journalist Theo Dik (* 22 februari 1953 † 8 september 2016) begon eind 2011 samen met onderzoeker en publicist Rob Hogendoorn het webmagazine Openboeddhisme.nl. Van 2012 tot 2015 publiceerden Dik en Hogendoorn honderden artikelen over het Nederlands boeddhisme. Hun werk mondde onder meer uit in het gezamenlijke onderzoek dat onderzoeksredacteur Bas de Vries (NOS Achtuurjournaal) en Hogendoorn samen instelden naar seksueel misbruik binnen de boeddhistische gemeenschap. Dit leidde onder meer tot de oprichting van een onafhankelijk Meldpunt Seksueel Misbruik Boeddhistische Gemeenschap (Meldpunt BG). Theo Dik overleed op 8 september 2016, heel onverwacht. Tijdens de crematie-plechtigheid op 15 september 2016 herdacht Rob Hogendoorn zijn vriend en collega met een tekst die hier, licht bewerkt, integraal wordt weergegeven.

Theo had heel doordachte ideeën over de inrichting van zo’n website: hij zag een buffetkast voor zich, met thematisch geordende lades.

‘Wat als we Nederlands boeddhisten nu eens als gewone mensen zien, die worden gedreven door gewone motieven. Wat treffen we dan aan?’ De journalistieke formule stond snel vast: we zouden uitgaan uit van klassieke drijfveren: geld, status, macht, geweld, en de restcategorie: sex & drugs & rock ’n’ roll.

‘Boeddhisme voor smarties, niet voor dummies‘, noemde Theo dat.

FaceTime

Begin 2012 verscheen het eerste van honderden artikelen. De jaren daarop spraken we elkaar vrijwel dagelijks, soms urenlang. ‘FT?’, sms-ten we dan, om elkaar even later via een FaceTime-verbinding op de Mac te begroeten.

Ik ben ietwat doof en praat vaak te hard, dus onze gesprekken schalden meestal door het huis. In het begin zag ik Theo’s gezin dan ook wel eens een beetje verwonderd door het beeld schuiven. ‘Zijn ze nu nog bezig?’, zag ik ze soms denken. Later raakten ze eraan gewend: ‘O, dat is Rob’, en dan wuifden we elkaar even gedag.

Onze werkwijze was altijd eender: we kozen een onderwerp en insteek, verdeelden de taken en gingen op onderzoek uit. Theo deed de eindredactie. En hij was streng: ‘”plaats vinden” is een germanisme, dat moet zijn “plaats hebben”,’ zei hij dan. Of: ‘Het woord “doordat” verwijst naar een ander oorzakelijk verband dan “omdat”.’ En: ‘een oorzaak is iets anders dan een reden.’ Ook, natuurlijk, ‘feiten zijn geen meningen, en meningen zijn geen analyses.’

Bleek de onderbouwing niet hard genoeg, dan zetten we ons onderzoek voort.

Leerling, gezel, meester

theo-dik-1953-2016

Theo Dik (* 1953 † 2016)

In 2015 verscheen in NRC Handelsblad een mooi portret van Theo. Daarin sprak hij heel open over zijn vijfjarige werkloosheid en pleitte voor een hedendaagse versie van het gildewezen. Als journalistieke ambachtsman voegde Theo toen al jaren de daad bij het woord: hij was de meester, en ik zijn leerling en gezel.

Onze benadering zorgde voor veel consternatie. Ambtenaren, toezichthouders, wetenschappers en andere media schrokken wakker. We werden door boeddhisten opgehemeld én verguisd.

En we kregen meldingen: over machtsmisbruik, financieel misbruik én seksueel misbruik. Nadat we één onder het tapijt geveegde zedenzaak in Middelburg wisten te ontrafelen, volgden er meer. Uiteindelijk haalde het onderzoek dat wij begonnen het NOS Achtuurjournaal.

Theo bezat een gevoelig moreel kompas en groot rechtvaardigheidsgevoel. Hij was voor de duvel niet bang. Zo werden we een keer bedreigd. Dat wij het misbruik door deze pleger toch bij de zedenrecherche zouden melden, stond voor Theo echter vast.

Maar ook dat híj uitsluitend zou verklaren over de zaken die híj met eigen ogen had vastgesteld, en ík alleen over zaken die ík had vastgesteld—zorgvuldigheid boven alles.

A.H. te B.

Tijdens onze FaceTime-sessies kwam echt ieder onderwerp aan bod. We hadden veel interesses gemeen, maar deze misschien wel het meest, door Theo vaak afgekort als ‘A.H. te B’: Adolf Hitler te Berlijn.

Die afkorting—al snel volstond een vinger dwars onder onze neus—werd het zinnebeeld voor de alledaagsheid van een kwaad dat ongemerkt de overhand krijgt, dat machthebbers en meelopers corrumpeert en dat altijd—echt altíjd—slachtoffers maakt.

Theo’s verzet daartegen ging diep, zijn wil daarover te getuigen was principieel. Vandaar zijn onderzoek naar de Rijnlandbastaarden, Wolfgang en Othenio Abel en de eugenetica in Hitlers Duitsland. Zijn streven de herinnering aan de gevolgen van het denken in termen van ‘ras’ levend te houden, was onvermoeibaar.

Onderschat niet wat het vertellen van zo’n verhaal vereist: Theo maakte zich bijvoorbeeld het onleesbare Duitse Frakturschrift eigen, en raakte inhoudelijk thuis in de duisterste krochten van het nazisme. Zo  ontwikkelde hij zich tot citizen scientist, lang voordat het woord in zwang kwam.

Maar, wat we ook bespraken, nooit zonder humor. Theo en ik verstonden alle twee de kunst gitzwarte inzichten over te brengen met absurde, hilarische kwinkslagen. We hebben dubbelgevouwen over onze toetsenborden gehangen, met tranen van het lachen.

Pretogen

Nog een constante in onze gesprekken: Theo’s liefde voor zijn vrouw en kinderen. Hij sprak daarover geen woord teveel—maar ook niet te weinig.

Gelukkig hebben Theo en ik een paar dagen voor zijn overlijden nog uitgebreid ge-FaceTimed. Ook die laatste keer hadden we een hoop lol. We bespraken een ingewikkelde klus op zijn terrein—denk: snor—waarmee hij me zou helpen. Daarop verheugde hij zich echt.

Ook die keer sprak hij over zijn gezin: Theo vertelde me hoeveel bewondering hij had voor de veerkracht van zijn kinderen. En hoe stoer hij zijn vrouw vond.

Theo’s laatste woorden tegen mij, via WhatsApp, waren: ‘Ga jij je koffertje eens pakken! Polo’s, zwembroekje, factor 50. Van die dingen ja. Ook voor de vrouw!’ Maar hij voegde daarbij—grijnzend, daar twijfel ik niet aan—wel een link naar een filmpje van het Werkteater over een stel van middelbare leeftijd dat op de camping ruzie maakt.

Theo en ik konden met elkaar lezen en schrijven. We hebben voor hete vuren gestaan. Hij stond altijd pal—onvoorwaardelijk. Dat schept een band, een soort ‘bloedbroedergevoel’. Hoe diep dat gaat, merk ik nu hij er ineens niet meer is: ik ben m’n maat kwijt.

Maar, zó ga ik me Theo herinneren: meteen ter zake komen, inhoudelijk spijkers met koppen slaan, en daarna met pretogen en een grote grijns afscheid nemen. Precies zoals op de foto.

About the author

Rob Hogendoorn

Rob Hogendoorn

Rob Hogendoorn (1964) is onderzoeksjournalist en wetenschapper. Hij richt zich onder meer op de receptie van boeddhisme, boeddhisme en wetenschap, en onderzoek naar meditatie.