Verzet tegen Sogyal in lijn met oproep dalai lama en andere deskundigen

tantrische-versierselen
Rob Hogendoorn
Written by Rob Hogendoorn

26 minuten

Een kleine groep boeddhisten sprak zich onlangs openlijk uit tegen het misbruik en wangedrag waarvan de Tibetaanse leraar Sogyal Rinpoche (69) wordt beschuldigd. Voor aanvang van Sogyals lezing in de RAI Amsterdam hielden zij een stille manifestatie. In 1993 vroeg de veertiende dalai lama boeddhisten de leraren die zich schuldig maken aan moreel laakbaar en seksueel grensoverschrijdend gedrag openlijk ter verantwoording te roepen. Zij moeten dat met naam en toenaam doen—desnoods in de media. Zover bekend, was dit wereldwijd de eerste manifestatie tegen Sogyal. Terwijl andere boeddhistische leraren op de gevaren van blind geloof in ‘tantrische guru’s en hun vermeende ‘crazy wisdom‘ wijzen, houdt de dalai lama Sogyal zelf echter nog de hand boven het hoofd. Tegelijk meent boeddhistisch leraar Stephen Batchelor dat lama’s zoals Sogyal in ‘troebel water’ vissen. Andere deskundigen oordelen zelfs dat zulk misbruik symptomatisch is voor de macht en het seksisme van het Tibetaanse patriarchaat. De belangrijkste zienswijzen op een rij.

Niet taboe

Eerst de feiten. Seksueel contact tussen boeddhistisch geestelijken en hun volgelingen is in sommige Tibetaans tradities niet taboe. Integendeel: zulk seksueel contact kan deel uitmaken van de beoefening van Tibetaans boeddhistische tantra.

De vele ontsporingen binnen de rooms-katholieke kerk—waarin seks tussen monniken of priesters en gelovigen wél taboe is—zouden de verwachting kunnen wekken dat het voorkomen van zulk misbruik in Tibetaanse religieuze kringen bovenaan de agenda staat.

Dat is niet het geval: de houding van de dalai lama, bijvoorbeeld, tegenover seksueel grensoverschrijdend gedrag is ambigu. Achter de schermen velt de dalai lama over de seksuele moraal van Tibetaans boeddhistische leraren die zich misdragen een hard en duidelijk oordeel. Maar hij ziet niet daadwerkelijk toe op naleving van de norm die hij stelt. Die tweeslachtigheid geeft ruimte aan jarenlang volgehouden seksueel wangedrag.

Reëel risico

Alle deskundigen zijn het erover eens dat de beoefening van Tibetaans boeddhistische tantra is voorbehouden aan gevorderde beoefenaren. De dalai lama—zelf een van de hoogste tantrische guru’s—is hierover volstrekt duidelijk: tenzij een leraar aantoonbaar wonderen verricht, kan seksueel verkeer met volgelingen geen bona fide beoefening van boeddhistische tantra zijn. Bovendien kunnen boeddhistische leraren ‘afwijkend gedrag’ volgens hem niet rechtvaardigen met een beroep op ‘crazy wisdom‘—een onnavolgbare vorm van wijsheid die alleen zij zouden bezitten.

En toch gebeurt het. De berichtgeving over Sogyal en navolgers zoals ‘Lama Kelsang Chöpel’ (Gerhard Mattioli)—ook hij  ‘legitimeerde’ seks met zijn volgelingen als een beoefening van ‘tantra‘—toont aan dat het risico op langdurig seksueel misbruik door Tibetaans boeddhisten reëel is, ook in Nederland. Het is een van de redenen waarom ons land sinds 2015 een onafhankelijk Meldpunt seksueel misbruik boeddhistische gemeenschap kent.

Sogyal bezoekt Nederland vrijwel jaarlijks en treedt onder meer op tijdens door diskjockey’s met muziek omlijste ‘Awake’ bijeenkomsten, speciaal gericht op jongeren. Ook leidt hij geregeld weekendretraites in Amsterdam. Veel Nederlandse volgelingen nemen deel aan langere retraites in Sogyals centrum Lerab Ling in Zuid-Frankrijk.

Zolang echter de dalai lama en andere Tibetaanse geestelijken aan grensoverschrijdingen geen duidelijke consequenties verbinden, blijft over de toelaatbaarheid van de seksuele mores van Sogyal en andere omstreden Tibetaanse lama’s veel onduidelijkheid bestaan.

Lerarenconferentie

De Tibetaan Sogyal Rinpoche (ook wel: Sogyal Lakar) geniet bekendheid als auteur van Het Tibetaanse boek van leven en sterven en is geestelijk leider van de internationale organisatie Rigpa. Deze organisatie heeft in boeddhistisch Nederland veel invloed en levert de voorzitter van koepelorganisatie Boeddhistische Unie Nederland. Sogyal bezoekt ons land geregeld. Op 16 november 2016 had voor zijn publieke lezing ‘De natuurlijke vrijheid van de geest’ in de RAI Amsterdam een stille manifestatie plaats.
Sinds de jaren 90 komt Sogyal steeds weer in opspraak wegens seksueel grensoverschrijdend gedrag en mishandeling van met name jonge vrouwelijke volgelingen.  Over zijn seksuele escapades is in het buitenland veel gepubliceerd: in bijvoorbeeld The GuardianThe Sunday TimesTelegraph Magazine en in de Franse bladen Le Nouveau Marianne en L’Obs.
Guardian
-journaliste Mary Finnigan schreef over Sogyal het essay Behind the Thangkas (2011). Ook boeddhistische leraren spreken zich over hem uit: Stephen en Martine Batchelor bijvoorbeeld, in de documentaire In The Name of Enlightenment: Sex Scandals in Religion (2011) van Debi Goodwin. Onlangs ging Finnigan in een podcast uitgebreid in op haar journalistieke onderzoek naar Sogyal en Rigpa.
Alle negatieve publiciteit ten spijt weigert de veertiende dalai lama (81) zich openlijk van Sogyal te distantiëren. In 2008 opende hij Lerab Ling, de Franse tempel die als hoofdkwartier van Rigpa dient. Enkele jaren later, in 2010, stichtte Sogyal het naar de dalai lama genoemde Tenzin Gyatso Institute. Dit instituut wordt geadviseerd door de dalai lama’s vertrouwelingen Samdhong Rinpoche (oud-premier in ballingschap) en Lodi Gyari (diplomatiek gezant). Gyari is tevens bestuurslid van de Nederlandse stichting International Campaign for Tibet (ICT). Ook Sogyal was ICT-bestuurslid (2005-2011).

In 1993 kwamen seksueel misbruik en ander wangedrag onder het mom van tantra en ‘crazy wisdom‘ uitgebreid aan de orde tijdens een meerdaagse ontmoeting tussen de dalai lama en westerse leraren uit alle boeddhistische stromingen.

In zijn residentie in Dharamsala (India) ondertekenden de deelnemende leraren—onder wie de Nederlandse monnik Olande Ananda—een slotverklaring die als open brief onder boeddhistische centra in het Westen werd verspreid.

Hoewel hij dit de deelnemers had toegezegd, heeft de dalai lama de slotverklaring nooit daadwerkelijk ondertekend.

Het negatieve oordeel dat de dalai lama tijdens deze conferentie over seksuele contacten tussen lama’s en leerlingen velde ten spijt, volhardt Sogyal volgens journalisten, documentairemakers en andere boeddhistische leraren al sinds de jaren 70 in hetzelfde promiscue seksleven. Seks met jonge vrouwelijke leerlingen en het verbaal, psychisch, emotioneel en fysiek mishandelen van volgelingen zouden allemaal tot Sogyals boeddhistische onderricht behoren.

Tantra en ‘tantra’

Tibetaans boeddhistische tantra kent twee vormen: denkbeeldig en fysiek. Tijdens de bijeenkomst in 1993 ging de dalai lama uitvoerig in op de fysieke beoefening van tantra en op misstanden rondom Tibetaanse lama’s in het Westen. Hij gaf daarmee onder meer antwoord op kritische vragen over het gedrag van de Tibetaanse leraar Chögyam Trungpa († 1987) en diens Amerikaanse opvolger Ösel Tendzin († 1990), geestelijk leiders van de Tibetaans boeddhistische organisatie Shambhala.

Zover bekend, was Trungpa de eerste Tibetaanse lama die vanaf de jaren 70 steeds opnieuw seksuele relaties met vrouwelijke leerlingen begon. Ook bij hem zou sprake zijn geweest van de beoefening van tantra. Sogyal wordt als zijn navolger gezien.

De dalai lama was in 1993 heel expliciet over de eisen die de Tibetaanse traditie aan zulke fysieke beoefening van tantra aan boeddhistische guru’s stelt. Volgens hem gebruiken guru’s op dat niveau van beoefening de geslachtsgemeenschap als ‘mechanisme om inzicht te bereiken. Maar wel zónder begeerte, orgasme of zaadlozing. Sterker, op deze manier wordt begeerte overwonnen.’

Deze tantrische techniek is volgens de dalai lama echter niet voor iedereen weggelegd:

Vroeger, in Tibet, kwamen alleen diegenen die konden aantonen dat zij over bovennatuurlijke gaven zoals door de lucht vliegen beschikten, voor deze beoefening in aanmerking. Was een leraar niet tot het verrichten van zulke wonderen in staat, dan mocht hij de tantrische technieken niet toepassen.

Desgevraagd stelde de dalai lama in 1993 hardop vast dat zulke Tibetaanse meesters momenteel niet bestaan: “Ik ken er niet één.”

Hoewel Sogyal als boeddhistisch leraar toen al jaren seksuele contacten met jonge vrouwelijke volgelingen had, en één vrouw hem een jaar later wegens seksueel misbruik en mishandeling voor een Amerikaanse rechter daagde, maakte de dalai lama voor hem geen uitzondering.

Sogyals veronderstelde beoefening van ‘tantra‘ en ‘crazy wisdom‘ voldoet volgens de dalai lama dus niet aan de gestelde eisen.

Plas van de Potala

Behalve de Tibetanen Trungpa en Sogyal, beroepen ook westerse bekeerlingen zich op de Tibetaans boeddhistische tantra.

In 2003 maakte de Amerikaanse leraar Michael Roach (Diamond Mountain) bekend dat ook hij en zijn ‘consort‘ (tantrisch metgezel) Christie McNally de tantrische technieken daadwerkelijk, lijfelijk toepasten. Eén van zijn Tibetaanse leraren, Lama Zopa, bevestigde toen in een brief aan Roach dat een zuivere beoefening van tantra een uitzonderlijk niveau van geestelijke en lichamelijke ontwikkeling vereist.

Om zijn ontwikkelingsniveau aan te tonen, kan zo’n tantrische guru volgens Lama Zopa niet met een ‘gewoon wonder’ volstaan:

De zesde dalai lama, bijvoorbeeld, plaste van het dak van de Potala. Vlak voordat zijn plas de grond raakte zoog hij de urine weer op met zijn vajra. En dan is er ook nog het verhaal over de vorige incarnatie van Gonsar Rinpoche. Hij zoog met zijn vajra modder op.

De Potala is het paleis van de dalai lama in de hoofdstad Lhasa in Tibet. Tsangyang Gyatso, de zesde dalai lama (1682-1706), stond bekend om zijn onconventionele, seksueel vrijgevochten gedrag. Met vajra doelt Lama Zopa op de penis van de dalai lama in diens hoedanigheid van tantrisch meester.

Zopa’s betoog, tien jaar nadat de dalai lama hetzelfde standpunt innam, moest Roach duidelijk maken dat de bewijslast op de tantrische guru rust: het is aan hem om door het verrichten van onloochenbare wonderen aan te tonen dat hij gekwalificeerd is. Alleen zo kan de guru bewijzen dat hij voldoet aan alle eisen die de boeddhistische ethiek stelt.

Zover bekend hebben Trungpa, Rich, Sogyal, Roach en Mattioli nooit tot genoegen van de dalai lama, Lama Zopa en andere Tibetaanse geestelijken aangetoond over zulke buitengewone gaven te beschikken.

Eisen aan vrouwen

Over de voorwaarden waaraan vrouwelijke beoefenaren van tantra moeten voldoen om actief, fysiek Tibetaans boeddhistische tantra te beoefenen lieten de dalai lama en Lama Zopa zich niet uit.

In 1996 maakte de Amerikaanse vertaalster June Campbell bekend dat zij in het geheim als tantrisch partner van Kalu Rinpoche († 1989), geestelijk leider van het Tibetaans Instituut in Huy (België), had gefungeerd.

In haar boek Traveler in Space: In Search of Female Identity in Tibetan Buddhism en tijdens media-optredens toonde Campbell zich hierover kritisch en wees op de verafgoding die sommige Tibetaanse lama’s—en daarmee hun verondersteld ‘verlichte’ opvolgers—ten deel valt.

Een verslaggever van de Engelse krant The Independent bezocht in 1999 een lezing van Campbell. Zij stelde toen dat het machtsmisbruik dat seksuele relaties van vrouwen met zulke leraren kenmerkt, een ernstig tekort in het Tibetaans boeddhisme blootlegt. Om dit duidelijk te maken, wees Campbell op de sociale en culturele inbedding van de Tibetaans boeddhistische tradities:

Je moet je afvragen hoe een geloof zich verhoudt tot de wijze waarop een samenleving zichzelf vormt.

Getraumatiseerde mannen

Volgens Campbell ligt binnen het Tibetaans boeddhisme de macht vaak in handen van mannen die zijn getraumatiseerd doordat zij heel jong, soms zelfs als tweejarige, bij hun moeder zijn weggehaald om in het klooster door louter mannen te worden opgevoed:

Hoewel zij soms door hun moeder of zusters werden bezocht, gebeurde dit altijd stiekem, zodat zij vrouwen associëren met iets dat verstopt moet worden.

Verder vroeg Campbell zich af waarom vrouwen in Tibetaanse afbeeldingen van de tantrische seksuele vereniging de kijker altijd de rug toekeren, en waarom Tibetaanse geestelijken vrouwelijke boeddhisten aansporen ervoor te bidden dat ze als man worden herboren—verlichting zou namelijk alleen met een mannelijk lichaam bereikt kunnen worden.

De tantrische pij van de keizer

In het interview ‘The Emperor’s Tantric Robes’ in Tricycle (1996) stelde Campbell op dat het eigen geluid van vrouwelijke tantrische beoefenaren in Tibet de voorbije 500 jaar geheel is verstomd.

Zij wees erop dat het stelsel van reïncarnaties die tulku worden genoemd de voorbij eeuwen zijn geïntegreerd in het Tibetaanse sociale systeem. Tulku’s worden als klein kind herkend als reïncarnatie van een lama die hen voorging. Hun geestelijke ontwikkeling zou hen dichtbij de verlichting hebben gebracht:

Met andere woorden: macht door incarnatie.

Tulku’s raken als klein kind hun moeder en het gezinsleven kwijt, en groeien op in het klooster, een wereld die geheel door volwassen mannen wordt beheerst: ‘Zelfs de misogynie, die in de kloosters wijdverbreid was, werd ingezet om deze jongens bij te staan in hun beoefening. Vrouwen werden onderworpen om het patriarchaat te doen voortbestaan,’ aldus Campbell.

Ambigue situatie

Zo ontstond een ambigue situatie waarin vrouwen als dakini’s of transcedente godheden werden aanbeden, terwijl jongens tegelijk van de zorg door hun moeder en elk fysiek contact met vrouwen werden beroofd.

In hun dagelijks leven nam het monastieke bestaan de plaats in van een leven waarin vrouwen een essentiële zorgende rollen vervulde: ‘Tegelijk hadden deze jongens vrouwen wel nodig voor hun beoefening, hetzij in een symbolische vorm, hetzij als echte metgezellen, om hun bestemming te bereiken. Zo ontstond een zeer ambivalente houding. En om de tantrische traditie zoals deze door hen beoefend werd in leven te houden, moesten deze vrouwen geheim worden gehouden.’

Volgens Campbell hadden veel lama’s in Tibet behalve hun eigen vrouw ook geheime tantrische metgezellen, en hielden ook vermeend celibataire yogi’s er geheime tantrische metgezellen op na.

Al met al is het volgens Campbell nog maar de vraag is of de religieuze technieken die de Boeddha onderwees wel los kunnen worden gezien van de seksistische, patriarchale en onderdrukkende cultuur die veel boeddhistische landen kenmerkt.

‘Toen ik mijn eigen ervaringen eenmaal op een rij zette, kwam alles ter discussie te staan’, blikt Campbell in The Independent terug. Niet het gedrag van één guru in het bijzonder, maar het hele idee van ‘de guru‘ zelf. Ook begon ze zich af te vragen of tantra geen verzinsel is, zodat tussen tantrische en gewone seks helemaal geen verschil bestaat.

‘Sex lives of the Gurus’

Midden jaren 80 bracht vipassana-leraar Jack Kornfield in het artikel ‘Sex lives of the Gurus’ in het tijdschrift Yoga Journal (1985) verslag uit van zijn onderzoek naar het seksleven van 54 hindoeïstische en boeddhistische guru’s, swami’s, roshi’s en lama’s in de Verenigde Staten.

Kornfield betwijfelde of hij in zijn onderzoekspopulatie wel authentieke tantrische beoefenaars had aangetroffen:

In zeldzame gevallen komt ware tantrische seksualiteit misschien voor, maar in andere werd misbruik gemaakt van de leraar-leerling relatie, en in enkele gevallen werd daarbij ingegaan tegen het traditionele onderricht.

Volgens Kornfield was het door hem waargenomen gedrag ronduit schadelijk: ‘Het probleem wordt nog versterkt in situaties die geheimzinnigheid en misleiding meebrengen, omdat zulk bedrog binnen spirituele groepen de grootste bron van teleurstelling en pijn vormt. Niet zelden worden stiekeme en ongepaste seksuele relaties tussen leraren en leerlingen ontdekt, en dat heeft de laatste jaren in bijna een dozijn van de grootste Oosterse spirituele gemeenschappen voor veel ophef gezorgd.’

Nieuwe familie

In The Power of Meditation and Prayer (1997) wijst dezelfde Kornfield—die enkele jaren daarvoor nog deelnam aan de lerarenconferentie in de residentie van de dalai lama—erop dat ernstig beschadigde, eenzame mensen met een misbruikverleden zich maar al te vaak tot ‘grote meesters’ wenden om een ‘spirituele beoefening’ te beginnen.

Nemen gemeenschappen teveel beschadigde personen uit probleemgezinnen op, dan kan zomaar een ‘nieuwe familie’ ontstaan die daarvan nauwelijks verschilt: ‘Het gevolg hiervan is dat veel spirituele gemeenschappen door precies dezelfde angsten worden beheerst: Geheimzinnigheid, dezelfde houding tegenover misbruik en de ontkenning daarvan als de gezinnen waar zij vandaan komen. Spirituele leraren die dit in zichzelf niet onderkennen, worden daarin vanzelf meegezogen, op precies dezelfde manier. Ze raken geïsoleerd en worden onderdeel van dezelfde dynamiek’. Kornfield vervolgt:

De schandalen die we meemaken—het doet er eigenlijk niet toe of het nu over boeddhisten gaat of over christelijke televisie-dominees—doen zich voor zodra leraren geïsoleerd raken en alle denkbeeldige zaken die leerlingen op hen projecteren, zelf beginnen te geloven.

‘Crazy Wisdom’

De traditionele eisen die Tibetaanse geestelijken aan tantra-beoefenaren stellen, gelden temeer zodra zulke leraren—denk aan Trungpa en Sogyal—manifest in strijd handelen met boeddhistische morele beginselen.

Het buitenissige gedrag en de losse seksuele moraal van Tibetanen zoals Trungpa en Sogyal, of westerlingen zoals Rich, Roach en Mattioli, wordt door hun volgelingen vaak vergoeilijkt als de uitdrukking van ‘crazy wisdom‘. Dat zou een vorm van wijsheid zijn die alleen zij bezitten, zodat de conventionele, alledaagse boeddhistische ethiek voor hen een uitzondering maakt.

Die redenering wordt ook door niet-boeddhisten gevolgd. Onlangs werd ‘seksrabbijn’ Eliezer Berland in Israël tot 18 maanden cel werd veroordeeld wegens het onzedelijk betasten van vrouwelijke volgelingen. Zijn advocaat Ephraim Dimri verklaarde hierover in De Telegraaf (19 november 2016) dat Berland zo wijs is ‘dat zijn verstand niet begrepen kan worden door de mensheid.’

Uitwassen

De uitwassen van dergelijk gedrag zijn legio en goed gedocumenteerd. Chögyam Trungpa, bijvoorbeeld, gaf zich behalve aan seks met leerlingen ook over aan excessief alcoholgebruik.

Zijn opvolger, de Amerikaan Ösel Tendzin (Thomas Rich), kopieerde Trungpa’s gedrag en raakte besmet met HIV. Omdat Rich dacht dat zijn geestelijke ontwikkeling hem daarvoor immuun maakte, liet hij na de leerlingen met wie hij onbeschermde seks had hiervoor te waarschuwen.

Sogyal heeft net als Trungpa seksuele relaties met jonge vrouwelijke leerlingen en geeft hen slaag—hierbij zouden zij dan geestelijk zijn gebaat.

Ook Michael Roach onderhield enkele jaren een tantrische relatie met een veel jongere leerlinge: Christie McNally. In die tijd mochten zij fysiek niet verder dan 4,5 meter van elkaar verwijderd raken. Inmiddels leven zij weer volledig gescheiden.

In Nederland maakte Gerhard Mattioli zijn volgelingen wijs dat hij een gevorderde beoefenaar van tantra was. Hij had jarenlang seks met vrouwelijke leerlingen en bedreigde hen met ‘zwarte magie’. Toen één van de vrouwen zwanger raakte, werd Mattioli’s centrum in Middelburg door zijn volgelingen opgeheven.

Korte metten

De dalai lama maakte tijdens de conferentie in 1993 echter korte metten met de idee dat ‘crazy wisdom‘ moreel verwijtbaar gedrag zou rechtvaardigen:

In het verleden gedroegen enkele boeddhistische heiligen weliswaar gedrag dat ethisch afwijkend was, als volledig gerealiseerd wezen wisten deze personen hoe anderen daarmee op de lange termijn gediend waren. Tegenwoordig schaadt zulk gedrag de dharma en dat moet stoppen.

Al heeft iemand de geestelijke ontwikkeling van een goddelijk wezen, aldus de dalai lama, zijn of haar gedrag moet steeds aan conventionele normen en waarden voldoen.

Boeddhisten die menen dat het feit dat iedereen verlichting kan bereiken betekent ‘dat elk gedrag aanvaardbaar is of dat leraren geen ethische voorschriften hoeven volgen, hebben de filosofie van leegte en oorzaak en gevolg niet goed begrepen,’ aldus de dalai lama.

Verder is volgens de dalai lama een gedegen kennis van de vinaya of leefregels voor iedere boeddhist een eerste vereiste: hij beschouwt moraliteit en zelfbeheersing als het fundament van iedere boeddhistische beoefening, tantra inbegrepen.

Pragmatische aanpak

Volgens de dalai lama is iedere tantrische leraar zelf verantwoordelijk voor zijn gedrag. Ter beoordeling van hun geestelijke ontwikkeling stelde hij in 1993 een pragmatische aanpak voor:

Volledig gerealiseerde wezens maakt het niets uit of zij nu urine, uitwerpselen, alcohol of mensenvlees tot zich nemen. Ik betwijfel of de boeddhistische leraren die ethisch wangedrag vertonen van de smaak van urine of ontlasting zullen genieten!

De slotverklaring van de bijeenkomst met westerse leraren luidde onder meer: ‘Iedere student moet worden aangemoedigd leraren op een verantwoorde wijze te confronteren met onethisch aspecten in hun gedrag. Is de leraar niet bereid zijn gedrag te verbeteren, dan moeten studenten zonder aarzelen ruchtbaarheid geven aan al het onethisch gedrag dat onweerlegbaar is komen vast te staan. Dit moet gebeuren ongeacht het overige, gunstige effect van zijn of haar bezigheden, ongeacht de spirituele band die men met deze leraar heeft. Ook moet via publiciteit duidelijk worden gemaakt dat het gedrag in kwestie niet overeenstemt met boeddhistische leringen. Het maakt niet uit welke spirituele verworvenheden de leraar heeft opgedaan, of zegt te hebben opgedaan: niemand is boven de normen van ethisch gedrag verheven.’

Hoewel de dalai lama tijdens de conferentie een groot deel van deze standpunten zelf innam, heeft hij de slotverklaring nooit willen ondertekenen. De Franse boeddhistische leraar Martine Batchelor ondertekende als deelnemer de verklaring wel. In 2011 werkte zij mee aan de Sogyal-documentaire ‘In the Name of Enlightenment’ van Debi Goodwin.

Het pragmatisme van de dalai lama indachtig, memoreerde Batchelor daarin dat boeddhistische leraren die menen de ethiek ‘voorbij’ te zijn, opvallend vaak belangstelling voor seks en alcohol hebben:

Volgens de dalai lama zouden ze met hetzelfde gemak van uitwerpselen en urine kunnen genieten, maar om de een of andere reden kiezen ze ervoor dat niet te doen.

Rechtszaak

Hoe tweeslachtig de houding van de dalai lama is, wordt duidelijk uit zijn omgang met Sogyal. In 1994 begon een van Sogyals vrouwelijke leerlingen in de Verenigde Staten een rechtszaak tegen hem en Rigpa wegens seksueel misbruik en mishandeling. De zaak werd voor een onbekend bedrag geschikt. Daaraan werd als voorwaarde verbonden dat de twee partijen niet langer publiekelijk op de inhoud van de zaak ingaan.

In een destijds uitgegeven verklaring (22 februari 1995) weersprak Rigpa niet dat Sogyal seksuele relaties met leerlingen heeft. Volgens zijn organisatie heeft hij vele duizenden mensen, mannen en vrouwen, positief geraakt. Dit komt overeen met de reactie van Rigpa op de documentaire van Debi Goodwin en op de ophef in Franse media na het verschijnen van Marion Dapsance’s boek Les dévots du bouddhisme (2016).

Advies dalai lama

Volgens journaliste Mary Finnigan van de Engelse krant The Guardian zag de dalai lama in alle publiciteit rondom de rechtszaak tegen Sogyal aanleiding diens conferentie over ‘Leven en sterven’ af te zeggen. De conferentie die in 1996 in Californië zou worden gehouden, werd daarop afgelast.

In een nog ongepubliceerd interview met Finnigan (januari 1997) merkte de dalai lama op dat hij Sogyal begin jaren 90—dus nog vóór de rechtszaak begon—op diens seksuele voorkeuren heeft aangesproken.

Volgens Finnigan liet die waarschuwing niets aan duidelijkheid te wensen over: Sogyals seksuele relaties met leerlingen zijn volstrekt onacceptabel. Finnigan: ‘De dalai lama sprak heel concreet over zijn advies aan Sogyal, hij adviseerde hem voor een monogaam huwelijksleven te kiezen.’

Niet publiekelijk afvallen

De dalai lama was tegenover Finnigan even concreet over iets anders:

Het gedrag van lama’s in het Westen onttrekt zich aan zijn greep. Hij kan alleen advies geven. Ook maakte de dalai lama duidelijk dat hij individuele lama’s nooit publiekelijk zal afvallen. In dat licht is wat hij ‘for the record‘ over Sogyal aan mij kwijt wilde bijzonder onomwonden.

De Tibetaanse officials die bij het interview met Finnigan aanwezig waren, viel het ook op dat de dalai lama voor zijn doen uitzonderlijk openhartig was, verklaart zij in een toelichting tegenover Openboeddhisme.nl.

‘Kwaliteit verslechtert’

Dat de dalai lama zich over dergelijke ontsporingen nog steeds zorgen maakt, is duidelijk. In 2011 hield hij een toespraak tijdens de ‘Global Buddhist Congregation’ in New Delhi (India). Daarin benadrukte hij opnieuw dat de beoefening van de vinaya—de boeddhistische leefregels voor monniken en nonnen—het fundament is van iedere boeddhistische beoefening.

Voor iedere boeddhist, binnen iedere boeddhistische stroming moeten moraliteit en zelfbeheersing centraal staan, aldus de dalai lama. Hij toonde zich kritisch over zijn eigen traditie:

Onze leer is prachtig, maar er zijn aanwijzingen dat de kwaliteit van onze lama’s, tulku’s en leraren verslechtert. Ik maak me daarover echt zorgen. Als je niet tot zelfbeheersing in staat bent, hoe kun je het anderen dan leren? Wil je anderen de juiste weg wijzen, dan moet je zelf de juiste weg volgen.

Finnigan stelt echter nuchter vast dat Sogyals gedrag nooit is veranderd en dat de dalai lama zich nooit publiekelijk van hem heeft gedistantieerd. Integendeel: in 2008 opende de dalai lama de Franse Rigpa-tempel Lerab Ling. En in 2010 opende Sogyal een naar de dalai lama genoemd instituut.

Tenzin Gyatso Institute

Volgens Finnigan ontstond het Tenzin Gyatso Institute omdat de dalai lama aanvankelijk niet wilde ingaan op Sogyals uitnodiging leiding te geven aan de ceremonie waarmee de Franse tempel formeel moest worden ingewijd:

Sogyal voelde zich vernederd. Zijn naam stonk in die tijd. Iedereen wist ervan. Mensen hebben jarenlang schriftelijk hun beklag over hem gedaan bij het kabinet van de dalai lama: “Deze man is een schandvlek!”

Finnigan meent dat Sogyal de Tibetaanse regering-in-ballingschap daarop een zak met geld voorhield onder het motto: ‘Wat moet ik doen opdat de dalai lama naar Lerab Ling komt?’ Het Tenzin Gyatso Institute is daarvan het resultaat. Volgens Finnigan ging het niet van harte: ‘Let maar eens op de film van de opening van Lerab Ling: de dalai lama kijkt heel streng. Zijn gebruikelijke grapjes en gelach laat hij helemaal achterwege.’

Finnigan vindt zijn aanwezigheid daar een schande, maar meent ook dat dit patroon in de Tibetaans cultuur past. ‘Iedereen weet het, en niemand kan er iets aan doen. De Tibetanen sloten de gelederen altijd al, dat behoort tot hun cultuur. En in ballingschap gebeurt dit nog meer. Als vluchtelingen voelen zij zich niet alleen bedreigd, ze wórden bedreigd. Ik begrijp volledig hoe ze zich voelen: de Tibetaanse cultuur hangt aan een zijden draad.’

Volgens haar heeft de dalai lama zich sindsdien alleen indirect over Sogyal uitgelaten: ‘Het meest extreme wat hij tegenover een groep westerlingen openlijk over Sogyal heeft verklaard is: “Sommige tulku’s gedragen zich in het Westen heel erg slecht.”‘

Niet geloven

Ook andere waarnemers tonen zich kritisch over leraren die Tibetaans tantra-onderricht als voorwendsel voor seksueel contact met volgelingen gebruiken. Ze manen (aspirant-)boeddhisten tot scepsis en waarschuwen hen zulke lama’s niet op hun woord te geloven.

Publicisten zoals Andrew Harvey; boeddhistische leraren zoals Khandro Rinpoche, Joan Halifax Roshi en Stephen Batchelor; en wetenschappers zoals Marion Dapsance en Geoffrey Samuel plaatsten kritische kanttekeningen bij hun optreden.

Zij zijn niet alleen kritisch over de aanspraken van lama’s die zichzelf als volmaakt verlicht beschouwen. Ook staan ze stil bij de goedgelovigheid van volgelingen die lichtzinnig ‘tantrische’ relaties met zulke ‘guru’s‘ aanknopen en zonder kennis van zaken in hun ‘crazy wisdom‘ geloven.

‘De meester staat leerlingen zeer na’

Hun betoog gaat lijnrecht in tegen de uitlatingen van een Rigpa-woordvoerder en Sogyal-leerling Bram de Wit tegenover verslaggever Marije van Beek in Dagblad Trouw. Hij komt aan het woord in Van Beeks artikel ‘De meester staat leerlingen zeer na’ (26 juni 2014).

Volgens de woordvoerder is het van belang te weten dat Sogyal niet tot het celibaat gehouden is. Ook zou hij als leraar in het tantrisch boeddhisme ‘fysieke relaties’ met leerlingen mogen hebben. De Wit noemt Sogyals gedrag in Trouw ‘wat onconventioneel’. Volgens hem heeft Sogyal gewoon haast:

‘Hij heeft niet de tijd om iedereen individueel op te leiden. Het lijkt soms bot, of niet liefdevol, maar het tegenovergestelde is eigenlijk waar.’

Het seksueel misbruik waarvan Sogyal beschuldigd wordt, wuift De Wit weg. Dit heeft volgens hem niet plaatsgehad ‘omdat Sogyal dat zelf zegt’. Hij kan zich niet voorstellen dat zijn leraar over zoiets zou liegen.

Geestelijke dwang

De vrouw in de Verenigde Staten die in 1994 een rechtszaak tegen Sogyal begon, zag dit anders. Zij verweet Sogyal dat hij gebruik maakte van haar kwetsbaarheid na het overlijden van haar vader. Haar advocaat, Theodore Phillips, voerde in de processtukken aan dat Sogyal ‘zijn positie als vertolker van het Tibetaans boeddhisme al vele jaren oneigenlijk gebruikt om seksueel en anderszins aan zijn gerief te komen en zo vele studenten extreem veel schade toebrengt.’

Volgens de aanklacht werd de eiser ‘vrijwel onmiddellijk stelselmatig geïndoctrineerd’ en bij haar familie en vrienden vandaan gehouden. Sogyal raadde de vrouw aan haar man te verlaten omdat het huwelijk in de weg stond aan haar ‘spirituele ontwikkeling en genezing.’ Ook zou ze haar psychotherapie op zijn aandringen hebben moeten afbreken.

Binnen de organisatie Rigpa—die door de eiser zonder omhaal een sekte (Engels: ‘cult‘) werd genoemd—wordt ‘het behagen van Sogyal’ gelijkgesteld aan ‘het streven naar verlichting en de beëindiging van lijden’, luidde de aanklacht verder. En omgekeerd:

Degene die zijn ongenoegen op de hals haalt of hem op enige wijze afwijst roept vreselijke gevolgen over zichzelf en zijn of haar familie af.

Volgens de eiser moest ze met vernederend gedrag aantonen hoe toegewijd ze was. De vrouw meende dat Sogyal veel andere vrouwelijke leerlingen op precies dezelfde manier misbruikte.

‘Ghost-writer’

Andrew Harvey (64) is oprichter en directeur van het ‘Institute of Sacred Activism’. Hij wordt samen met diens rechterhand Patrick Gaffney aangemerkt als ghost-writer van Sogyals Het Tibetaanse boek van leven en sterven (1992).

Harvey spande zich naar eigen zeggen ‘anderhalf jaar in om de wereld kennis te laten maken met de grootsheid van de Tibetaanse traditie.’ Behalve dit boek schreef Harvey onder meer de boeken The Way of Passion: A Celebration of Rumi (1994) en The Direct Path (2001).

In The Direct Path blikt Andrew Harvey terug op de rechtszaak die de Amerikaanse ex-leerlinge tegen Sogyal begon. Midden 1994 hoorde hij dat elf vrouwelijke leerlingen een rechtszaak wegens seksueel misbruik en mishandeling tegen Sogyal aanspanden.

Harvey raakte erdoor gedesillusioneerd: ‘Het nieuws over de beschuldigingen jegens Sogyal en de manier waarop toonaangevende Amerikaans boeddhistische leraren probeerden deze weg te redeneren of toe te dekken, riepen bij mij weerzin en angst op en verwoestten mijn vertrouwen in het traditionele ‘meester-systeem’ en New Age.’

Vinaya

Ook vrouwelijke boeddhistische leraren spreken zicht uit. De Tibetaanse Jetsun Khandro Rinpoche is een vrouwelijke tulku (formeel erkende reïncarnatie) in de kagyü traditie. Ze is dochter van Kyabje Mindrolling Trichen, voormalig hoofd van de nyingma traditie waartoe ook Sogyal behoort. Ze leidt twee kloosters in India, haar hoofdkwartier in Virgina (VS) en lokale groepen wereldwijd. Khandro is een van de twaalf vrouwen die worden geportretteerd in het boek Dakini Power van Michaela Haas (2013).

Net als de dalai lama wijst Khandro Rinpoche op het belang van de vinaya of kloosterregels. Zij vindt kennis daarvan voor leken van groot belang: ‘Wie de vinaya bestudeert kan bepalen of iemand de leer op een manipulatieve manier misbruikt en hem of haar daarop aanspreken.’

Of zo’n leraar al dan niet tot het celibaat gehouden is doet niet terzake: ‘Wie geweld gebruikt misdraagt zich, dat is duidelijk. Maar dat geldt net zo goed voor degene die zijn eigen positie en de naïviteit van leerlingen misbruikt.’

Een leraar die leerlingen misleidt door zichzelf ten onrechte als hoog ontwikkeld voor te doen brengt veel schade toe, aldus Khandro Rinpoche:

Het pad naar verlichting kan niet worden afgesneden, wie dat anders voorstelt moet met argwaan worden bekeken.

Bluf of charisma

Volgens Khandro Rinpoche kunnen titels makkelijk misleiden, óók in Tibetaanse boeddhistische kring. ‘Mensen zijn teveel op titels gericht, en raken zo meer in de ban van de verpakking dan van de inhoud.’ Daarin schuilt een gevaar, meent zij:

Ze noemen iedere mooie vrouw meteen een dakini [tantrische godin], maar of je die titel wel of niet verdient hangt af van je geestelijke ontwikkeling.

Mensen moeten daarom leren zelf onderscheid te maken tussen bluf of charisma en ware realisatie, stelt Khandro Rinpoche: ‘Er is niets dat niet met goed onderwijs kan worden verholpen.’

Ze plaatst kanttekeningen bij boeddhistisch onderricht met een massaal karakter en citeert haar vader die leraren in spe voorhoudt: ‘In een omgeving waarin je niet iedereen bij naam kent, kun je niemand goed opleiden.’

Zwarte schaduw

Joan Halifax Roshi is antropoloog, zenleraar, stervensbegeleider en geestelijk verzorger van gedetineerden. Ze is tevens abt van het door haar gestichte Upaya Zen Center in Santa Fe (V.S.) en een van de opvolgers van Bernie Glassman Roshi.

Halifax behoort tot de vaste deelnemers aan de zogeheten ‘Mind and Life’ conferenties van de dalai lama met westerse wetenschappers. Ook zij wordt geportretteerd in Haas’ boek Dakini Power.

Zij sprak zich in 2011 naar aanleiding van het zedenschandaal rondom de Japanse zenleraar Eido Shimano scherp uit over boeddhistische leraren die zich schuldig maken aan seksueel grensoverschrijdend gedrag.

Halifax wijst op het seksistische karakter daarvan: ‘Wie de schaduw van welke religie ook zwarter wil maken, hoeft wijsheid en mededogen alleen maar in hypocrisie te veranderen en uit angst voor conflicten alleen maar werkeloos toe te zien wanneer mannelijke geestelijken vrouwen minachten, seks hebben met vrouwen onder hun hoede, hen onderwerpen, kleineren, of verkrachten.’

Roofdierachtig gedrag

Halifax Roshi zegt jaren vergeefs te hebben gewacht op een eensgezinde aanpak van dit probleem: ‘Veel vrouwen die deze kwestie onder de aandacht van de gemeenschap brachten werden verguisd en ontlopen.’ Ze denkt dat boeddhisten het nu eindelijk beginnen te begrijpen.

Je moet opstaan en een krachtig geluid laten horen tegen het roofdierachtige gedrag van religieuze leiders. Je moet de macht met luide stem de waarheid voorhouden. En je moet ingrijpen.

Halifax Roshi werkte in het verleden nauw samen met Chögyam Trungpa. Volgens Halifax gedroeg Trungpa zich tegenover haar meer dan eens ongepast. Ze zet zich scherp af tegen zijn handelen, waarin Trungpa’s Shambhala-sangha nu nog ‘boeddhistische leringen’ ziet.

Ik dacht niet dat een alcohol-verslaafde en vermoedelijk seks-verslaafde persoon mij kon helpen mijn leven op orde te brengen.

Vertrouwen

Net als Khandro Rinpoche stelt Halifax Roshi dat grensoverschrijdend gedrag van leraren tegenover leerlingen nooit met een beroep op het boeddhisme kan worden gerechtvaardigd. De grens tussen leraar en leerling is gebaseerd op vertrouwen. Wordt deze grens overschreden, ‘dan houdt dit een rechtstreekse aanval in op de drie juwelen: Boeddha, dharma en sangha‘.

Ook zij waarschuwt tegen het idealiseren van spirituele leraren. Halifax vermoedt dat het verlangen naar de ‘volmaakte ouder’ boeddhistische bekeerlingen parten kan spelen.

Dit kan hen ertoe verleiden disfunctioneel gedrag binnen spirituele of pedagogische relaties weg te redeneren: ‘De Tibetaans boeddhistische gelofte waarmee iemand zijn hele leven aan een leraar toevertrouwt en die ertoe dient onder zijn vleugels steeds meer bevestiging van dat geloof te vinden—de samaya gelofte—kan het onderscheidingsvermogen dat onze cultuur hoog in het vaandel heeft ondergraven.’

Samaya

Sogyal is een van de leraren die zich voortdurend op de samaya met zijn volgelingen beroept. Een van vrouwelijke ex-volgelingen werkte in 2011 onder het pseudoniem ‘Janine’ mee aan het essay Behind the Thangkas van Mary Finnigan.

Diezelfde Française komt als ‘Mimi’ samen met haar vader Guy —onder haar echte naam, herkenbaar in beeld — aan het woord in Goodwins documentaire In the Name of Enlightenment. Onlangs spraak Mimi (38) zich opnieuw over Sogyal uit in het Franse tijdschrift L’Obs.

Volgens Mimi plaatst Sogyal zijn seksuele relaties met volgelingen in precies deze context—de samaya of tantrische band die tussen hen zou  bestaan. Mimi behoorde enkele jaren tot Sogyals persoonlijke entourage binnen Rigpa, die in de wandelgangen als ‘de dakini‘swordt aangeduid.

‘Devotie testen’

Kort na hun eerste kennismaking in 2000 trad Mimi toe ‘de dakini’s’. Net als aan andere ‘dakini’s‘ drong Sogyal zich in die jaren volgens Mimi ook seksueel aan haar op. Aanvankelijk voelde zij zich uitverkoren, ze dacht dat Sogyal op deze wijze haar ‘devotie’ testte.

Volgens Sogyal bezitten meesters zoals hij immers een vorm van wijsheid—’crazy wisdom‘—die ieder handelen heiligt:

Dus als hij een steen of iets anders naar je gooit, dan is dat een zegen. Als hij je slaat of seks met je heeft, dan ontsluit hij het pad naar verlichting.

Sogyal hield Mimi voor dat als zij ooit zou vertellen hoe hij haar met haar omging de heilzame tantrische ‘band’ die tussen hen bestond zou worden verbroken. Finnigan licht dit in de documentaire toe:

Het wordt ingezet als dreigement. Verbreek je de samaya, dan beland je voor talloze aeonen in de vajra hel, waar je zult branden in het vuur. Dat was niet het enige — er werd bijvoorbeeld ook gezegd dat het slecht zou zijn voor je karma.

Culturele kloof

Stephen Batchelor is een veelgelezen publicist en boeddhistisch leraar. Hij doorliep als monnik onder leiding van de Tibetaan Geshe Rabten een belangrijk deel van het curriculum van de Tibetaanse gelug-traditie. Hij vertaalde onder meer Shantideva’s A Guide to the Bodhisattva’s Way of Life (1979) en schreef boeken als Boeddhisme zonder geloof (1998) en Bekentenis van een boeddhistisch atheïst (2011).

In 1993 nam ook Stephen Batchelor deel aan de bijeenkomst van westers boeddhistische leraren met de dalai lama. Hij ondertekende de slotverklaring en open brief die daarvan de uitkomst waren. En ook werkte hij mee aan de Sogyal-documentaire In the Name of Enlightenment.

Batchelor merkt daarin onder meer op dat leraren zoals Sogyal situaties ‘vol onduidelijkheid’ creëren die ‘veel gelegenheid’ tot misbruik bieden.

Idealiter voldoen seksuele relaties die zo ontstaan aan alle eisen die de Tibetaans boeddhistische tantra stelt, maar de praktijk wijst anders uit, aldus Batchelor: ‘Omdat mensen nu eenmaal mensen zijn ligt het voor de hand dat persoonlijke motieven een rol spelen. Er gaapt een grote culturele kloof tussen de verwachtingen en inschattingen van leraren en die van leerlingen.’

Verwarring

De Franse antropologe Marion Dapsance (Columbia University, New York) wijdde een academisch proefschrift aan Sogyal en Rigpa. Onlangs verscheen van haar hand het boek Les dévots du bouddhisme, dat zij schreef op basis van dit langdurige onderzoek.

Dapsanse meent dat veel westerlingen zich tot het Tibetaans boeddhisme wenden uit afkeer van hun eigen culturele en religieuze erfgoed. Deze bekeerlingen zien het boeddhisme als iets dat niet bezoedeld is door het ‘materialisme’ van de westerse beschaving en niet-dogmatisch is, niet-hiërarchisch, niet-autoritair.

Dit leidt bij sommigen tot verwarring: ze willen zich tegelijk van het eigen gedachtengoed bevrijden én zich met hart en ziel overgeven aan een Tibetaanse meester. Dat terwijl de idee van ‘crazy wisdom‘ tegelijk de suggestie wekt dat iedere vorm van twijfel uit den boze is.

Kritische zin

Volgens Dapsance is het voor hen van groot belang de ‘meester’ als een gewoon mens te blijven zien, met gebreken, ambities, en blinde vlekken. Het gaat erom de kritische zin te behouden zonder afbreuk te doen aan hun spirituele kwaliteiten:

Dat men niet overal in meegaat betekent niet dat men helemaal nergens in meegaat.

Antropoloog en hoogleraar Geoffrey Samuel (University of Sydney) wijst in een Guardian-artikel over Sogyal op de mystiek rondom tantra: ‘De derde initiatie van de hoogste yoga tantra introduceert seksuele vereniging als onderdeel van het pad naar verlichting. Het wekt bepaalde ervaringen op die bijdragen tot het ervaren van de hoogste soort realisatie—in andere woorden, boeddhaschap.’

Samuel benadrukt echter dat hoewel een geheime variant van gewijde seks in Tibetaans boeddhistische teksten voorkomt, deze niet moet worden verward met de ‘moderne neo-tantra beweging’ en niet geschikt is voor pas bekeerde boeddhisten. Mensen moeten op de risico’s voor hun geestelijke gezondheid worden gewezen, aldus Samuel:

Wanneer een wat oudere guru een jonge vrouw verleidt doet hij dat vermoedelijk niet om haar bij te staan op weg naar verlichting.

Lama of guru als probleem

Stephen Batchelor problematiseert in de documentaire ‘In the Name of Enlightenment’ de centrale rol van de lama—het Tibetaanse woord voor guru—binnen het Tibetaans boeddhisme: ‘De lama is het kanaal dat toegang geeft tot een relatie met de traditie. Dit geeft gewicht aan de overgave aan zijn gezag.’

Batchelor vindt het risico op misbruik levensgroot. ‘Omdat de leerling de leraar zoveel gezag toekent en de leraar het meest thuis is in de traditie, vindt deze het vanzelfsprekend dat de leerling zich richt naar de wijze waarop de leraar die relatie wil ontwikkelen.’ En zo ontstaan in het tantrisch boeddhisme ongepaste seksuele relaties.

Volgens Batchelor vormt de centrale rol van de guru een probleem in relaties waarin alle religieuze macht bij één man ligt, tegenover een leerling — ‘meestal een jonge, aantrekkelijke leerling’ — zonder enige macht. Daardoor ontstaat een dynamiek die makkelijk ertoe leidt dat het vertrouwen van de leerling wordt misbruikt, en een seksuele relatie ontstaat die onacceptabel is—ook volgens de traditie zelf.

Het grote probleem is, zegt Batchelor, ‘dat het onderricht van Tibetaanse scholen seksuele relaties legitimeert als deel van het pad. Andere boeddhistische scholen houden dat niet eens voor mogelijk.’ Omdat tantrische lama’s vaak geen monnik zijn en dus niet verplicht zijn celibatair te leven zijn seksuele relaties formeel niet verboden: ‘Dat maakt het water troebel’, aldus Batchelor.

Batchelor denkt dat een terugkeer naar de bron inzicht geeft: ‘De Boeddha gebruikt nergens het woord ‘guru‘. Ik denk daarom dat de Boeddha, indien hij nu zou leven, op zijn zachtst gezegd ervan zou opkijken dat het leergezag niet langer berust bij trouw aan de dhamma of de leer, maar bij de volkomen vereenzelviging met een menselijke leraar.’

Ingrijpen

Feitelijk wijzen alle commentaren van Tibetaanse geestelijken, boeddhistische leraren in het Westen en ter zake kundige academici en publicisten in dezelfde richting: hoewel boeddhistische tradities uit de Tibetaanse oudheid in abstracto ruimte bieden aan seksuele relaties tussen geestelijken en hun volgelingen, is daarvan in onze tijd in concreto geen sprake meer.

Lama’s die zich—zoals Sogyal doet— op overgeleverde ideeën zoals tantra, samayaguru devotie, ‘crazy wisdom‘ beroepen om seks met jonge vrouwelijke leerlingen te rechtvaardigen of te verontschuldigen en hen verbaal, psychisch, mentaal, emotioneel en spiritueel te mishandelen, zullen volgens traditionele Tibetaanse geestelijken eerst moeten aantonen dat zij voor iedereen waarneembare wonderen kunnen verrichten.

Blijft zo’n proeve van bekwaamheid uit, dan is het gemaakte onderscheid tussen ‘tantrische’ en gewone seks alleen al daarom illusoir. In dat geval blijven, ook volgens traditionele Tibetaanse maatstaven, alleen seksueel misbruik en wangedrag binnen een patriarchale machts- en afhankelijkheidsrelatie over—en grove schendingen van de boeddhistische ethiek.

About the author

Rob Hogendoorn

Rob Hogendoorn

Rob Hogendoorn (1964) is onderzoeksjournalist en wetenschapper. Hij richt zich onder meer op de receptie van boeddhisme, boeddhisme en wetenschap, en onderzoek naar meditatie.